Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/667. Draagkorf, als voren, doch in de onderste helft der wanden zijn op drie plaatsen bruine en roode reepen tusschen de gele ingevlochten. De randhoepel met rotanreepen omvlochten. Daaronder een roode rotanhoepel, door ongekleurde reepen bevestigd. De bodem diagonaal open gevlochten. M. H. 39, dm. 14—24,5 cM.

l647/743- Als voren (pépé1), doch van zigzagvormig gevlochten, bruin gekleurde bamboereepen; met uitsparing van eene strook op drie der zijwanden, de buitenzijde geheel oyervlochten met ongekleurde reepen. Aan de hoeken vier stokken, die als pooten uitsteken, boven en beneden bevestigd door hoepels; de hoepel der bovenzijde tevens randhoepel, die aan de onderzijde gevolgd door een vischgraatvormig gevlochten, bruin koord; de stokken verder bevestigd door een vlechtwerk van ongekleurde bamboevezels in de hoeken en onderling door rotanbogen, verbonden door een rotanvezel. De randhoepel nog verbonden aan een, daarboven gelegen, geheel met rotan omwikkelden reep; in het inwendige een ongekleurde rotanreep. — Wordt door Toradja's op den rug gedragen. Posso.

H. 31,5, dm. 12,5—22 cM.

IQ26/373- Als voren, doch van silar s)-bladreepen rechthoekig gevlochten, van boven ovaal, van onderen vierkant, met diagonaal gevlochten draagbanden, die onder den bodem en door de wandreepen getrokken zijn. M.

H. 28,5, dm. 29 X 34 cM.

1926/665. Als voren, doch cylindervormig, van ongekleurde rotanreepen diagonaal a jour over paren horizontale hoepels gevlochten. M. H. 3J, dm. 25 cM.

1926/664. Als voren, doch van paren rotanreepen lusvormig a jour gevlochten. De vooruitstekende voet van diagonaal vlechtwerk. Een rotanreep als hengsel is onder den bodem en door de wanden gevlochten. M.

H. 34,5, dm. 21 cM.

2. Booten en onderdeelen daarvan.

1926/1087. Boot1), model, de kiel scherp, de stevens weinig oploopend, de buitenzijde geel, groen en bruin, de binnenzijde wit gekleurd. Met schansbekleeding van pandan-Uadreepen. Aan den achtersteven een rechthoekig, houten plankje, dat tusschen twee rotanlatten geklemd is, die zich langs de zijden tot het einde der schansbekleeding uitstrekken en in twee houten vorken rusten. Met een zitbank, doorboord voor een mast, die echter ontbreekt. Ai.

L. 138, br. 36, h. 18 cM.

1926/1088. Als voren, doch veel grooter, van ongekleurd hout, de beide stevens oploopend. Aan den achtersteven een plankje, dat fraai bladkrulvormig en reliëf uitgesneden is. In het midden een houten kajuit, met een dak van palmbladreepen. De houten schansbekleeding beschadigd. Bijgevoegd zijn de modellen van twee roeren en vijf pagaaien. M.

L. 188, br. 50, h. 56 cM.

1926/1075. Prauwversiering, bestaande uit vier langwerpige planken van lichtgeel hout, met een gat in de beide uiteinden. Het eene uiteinde recht afgesneden, het andere bij drie exemplaren sikkelvormig, bij het vierde onregelmatig haakvormig uitgesneden. Beschadigd. M.

L. 106—109, br. 6,5—6,9 cM.

1) Adriani en Kruyt, II, 189, 281, 289.

2) Jasper, Vlechtwerk, 29. — Corypha Gebanga Bl. (de Clercq, n° 887).

3) Kaudern, I, 556: doeanga (Zittdoe). — Boonstra van Heerdt (T. N. A. G, 2* Ser. XXXI), p. 625. — Adriani en Kruyt, II, 351—353.

Sluiten