Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringen (7) samengebonden. De uiteinden over elkaar heenloopend*) (2 en 5) of een handvat (taono *) van wit (3) of bruin (7) hout omklemmend. — 5 en 7 waarschijnlijk voor het kloppen van hoofddoeken. M.

I» 43, 39i 38 en 34,5, L steen 5,5, 6, 4,5 en 4, br. 3,5, 4,5, 4,5 en 4, d. 2, 2,5, 3 en 2,5 cM.

776/420. Klopper, als voren, doch de steen aan de eene zijde met zeven diepe, rechte groeven, aan den anderen kant met een groot aantal schuine, ondiepe groeven. De steel op drie plaatsen met bastreepen omwoeld. Het handvat van lichtgeel hout, cylindervormig. Tomini-bocht.

L. 42,5, 1. steen 7,1, br. 4,5, d. 2,7 cM.

776/42 en 1232/81. Als voren (ike), doch de steen aan de eene zijde met drie diepe, aan de andere zijde met zeven minder diepe, rechte groeven. De steel op twee plaatsen met dun bastsnoer (42) of op drie plaatsen met rotanringen omwoeld. De uiteinden over elkaar heenloopend 3) (42) of het handvat omklemmend en met een rotanring omwonden (81). Met cylindervormig, houten handvat. 42: Tomini-bocht, 81: Toradja's.

L. 43 en 30, 1. steen 6,5, br. 5,5 en 5, d. 3,8 en 3 cM.

1759/4. Als voren (ike*), doch de eene zijde (pombajowo) met drie, de andere (pongkalagi) met zes verticale groeven. Op een der zijkanten ingekrast vier paren concentrische ringen. Om groeven in de kanten is een rotanlus (ati) geslagen, op drie plaatsen door sjorringen van rotan of boomschors verbonden. Nabij het einde daartusschen geklemd een ovaal stuk geel hout als handvat (taono). M.

L. 48, 1. steen 7, br. 5,5, d. 4,5 cM.

43/35. Als voren (ike), de eene zijde met een aantal verticale, de andere met zeven rijen krulvormige groeven s). De rotanlus op drie plaatsen door sjorringen van rotan verbonden. Plat houten handvat als voren. — De steen, eene soort van thonschiefer, komt uit de omstreken van het meer van Liroe, wordt door de daar wonende Alfoeren gefatsoeneerd en vervolgens naar elders verkocht. De bewoners van het dorp Ondae houden zich voornamelijk met het bewerken van boombast voor kleedingstukken bezig. Gekocht te Posso.

L. 41, 1. steen 5,4, br. 3,5, d. 2,3 cM. Zie plaat II, fig. 4.

1759/6. Als voren (koelamoetil *), doch de steen aan eene zijde met 27 schuine groeven, de andere met in verticale rijen gerangschikte groeven in den vorm van bladkrullen. De rotansteel (ati) op drie plaatsen met boombast omwonden. Het houten handvat (taono) tonvormig. M.

L. 39, 1. steen 5,5, br. 4,5, d. 2,5 cM. Zie plaat II, fig. 3.

1759/8. Als voren (koelamoetil), doch de steen op de eene zijde met 43 diagonale groeven, op de andere met verticale, afgebroken door in vijf verticale rijen geranschikte, in elkaar grijpende spiralen. In groeven aan de randen een rotanlus, op drie plaatsen door boombastvezels bijeengehouden; tusschen de beide onderste een stukje geel hout met aangepunte einden, als handvat (taono) geklemd. M.

L. 43, 1. steen 6,5, br. 5,5, d. 3 cM.

1456/28. Als voren 7), doch van één stuk palmhout gesneden, het vooreinde half-

1) Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 6.

2) Adriani en Kruyt, De Barfe-sprekcnde Toradja's, II, 192. — Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 1. — Kruyt, Woordenlijst, 70, s. v.

3) Meyer und Richter, pl. XVIII, fig. 6.

4) Adriani en KRUYT, Geklopte boomschors, 16 met pl. I, fig. 1 KRUYT, Woordenlijst, 26, s. v.

5) Adriani en Kruyt, 1. c. pl. I, fig. 4.

6) Adriani en Kruyt, 1. c. 16 met pl. I, fig. 4. — Idem, De Barfe-sprckende Toradja's, II, 322.

7) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, p. 69. — Af. N. Z. G. XXXVIII, 200 vlg.

Sluiten