Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Stempel (oe/a1), met rondgaande groeven en rijen ingesneden driehoeken; het eene einde bewerkt als een vierbladerige bloem, het andere als een ruit met convexe zijden.

c. Bamboelatje (pontoela3), het eene einde in twee punten uitloopend en met sporen van roode verf. M.

L. 17,5, 10 en 12, dm. I, 3—1,8 en 1,6, br. c: 0,8 cM.

1926/293. Kleine vierkante foeja-lap, in het midden een roode en in de hoeken een rood en groene cirkel, die door twee gele, kromme banden in vier segmenten verdeeld zijn. Langs den binnenrand een rij gele driehoeken met roode omtrekken en een zwarte stip in het midden van de basis. Daarop volgt een rij, door roode en blauwe lijnen begrensde ruiten met een zwarte stip in het midden. De buitenrand lichtblauw. M.

L. en br. 30,5 cM.

1926/291. Als voren, doch het ornament bestaat uit concentrische, door paarse, roode en groene lijnen gevormde vierkanten op witten grond. M. L. 18, br. 17,5 cM.

1926/292. Als voren, doch in het midden eene vierbladerige, paarse bloem, in de hoeken rood, paars en gele, achtpuntige sterren. Langs den binnenrand oranje driehoeken met roode omtrekken. Tusschen de beide paarse randen een rij, door roode lijnen gevormde ruiten, met groene zandloopers gevuld. M.

L. 30,7, br. 29 cM.

1926/298. Als voren, doch in het midden eene bloem met vier rood en gele, ronde kelkbladeren. Langs den rand een rij paarse ruiten tusschen twee roode lijnen. M. L. 21,5, br. 21,4 cM. ,

1926/302. Als voren, doch in het midden en in twee hoeken groene bloemen met rooden kelk. In de beide andere hoeken groepen van vier, met de toppen naar elkaar toegekeerde, roode driehoeken. In de tusschenruimten groepen van vier oranje driehoekjes. Langs den rand blauwe cirkels, door een wit kruis in vier gelijke deelen verdeeld. M.

L. 24, br. 23,8 cM.

1926/306. Als voren, doch in het midden een achtpuntige, geelbruine ster, omringd door groepen van vier gele of roode driehoeken en van vier groene stippen. Langs den binnenrand een rij groene kruisen, dan een rij gele halve cirkels met roode omtrekken. Langs den buitenrand een rij paarse ruiten en driehoeken. M.

L. en br. 27 cM.

1926/307. Als voren, doch in het midden vier blauwe, met de toppen naar elkaar gewende driehoeken, omgeven door groepen van vier groene en vier roode stippen en van vier oranje driehoeken. In de vier hoeken groepen van acht oranje driehoeken en daartusschen groepen van vier groene stippen. Langs den rand groepen van vier roode driehoeken. M.

L. 24,5, br. 23,5 cM.

1926/311. Als voren, doch in het midden een groen Andreaskruis, omgeven door vier roode ruiten, vier gele, achtpuntige sterren, groepen van vier paarse ellebogen en van vier groene stippen. In de hoeken groene Andreaskruisen. Langs den rand een rij roode ruiten en driehoeken tusschen twee groene lijnen. M.

L. 28, br. 26 cM.

1926/1103. Als voren, doch in het midden een, uit vier driehoeken samengestelde paarse cirkel, omgeven door vier dergelijke roode cirkels en vier dergelijke oranje

1) O. c. pl. I, fig. 6, 6a en 66.

2) O. c. pl. I, fig. 7.

Sluiten