Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruiten. In de hoeken groepen van vier groene vierkanten en langs den binnenrand twaalf dergelijke, doch kleinere groepen blauwe vierkanten. Langs den rand roode ruiten, ellebogen en hoekfiguren. M. L. 19, br. 18,5 cM.

1926/1104. Kleine vierkante foeja-lap, als voren, doch door roode, en rood, zwart en witte, elkaar loodrecht kruisende lijnen in twaalf vierkanten verdeeld, alle gevuld met zwarte driehoeken met roode omtrekken, omgeven door roode horens en cirkels (buffelkopmotief). De buitenrand rood. M.

L. 18,5, br. 18 cM.

1926/1105. Als voren, doch door witte diagonalen in vier driehoeken verdeeld, die ieder met een aantal witte en roode driehoekjes gevuld zijn. De buitenrand rood, de binnenrand groen. M.

L. 19,9, br. 19,5 cM.

1926/1106. Als voren, doch in vier vierkanten verdeeld, waarvan twee ieder in vier driehoeken verdeeld zijn, terwijl de beide andere gevuld zijn met gestileerde buffelkoppen met witte oogen en zwart en geel, ruitvormig voorhoofd en verder met driehoeken langs, den rand. In het midden een zwarte band, gevuld met paarse en lichtroode driehoeken en ruiten. De buitenrand paars. M.

L. 20, br. 18,3 cM.

1926/1107. Als voren, doch de beide buitenste vakken gevuld met ruiten en driehoeken met rechte en kromme uitsteeksels en cirkels (gestileerde karbouwenkoppen). In het midden een rij ruiten tusschen twee rijen poortvormige figuren. De figuren zijn lichtrood, blauw, zwart of wit op bruinen grond. M.

L. en br. 17,9 cM.

1926/1108. Als voren, de ornamenten ongeveer overeenkomend met die van 1926/1107, doch de kleuren zijn rood, zwart en blauw op witten grond. M. L. 19,5, br. 17,7 cM.

1926/1118. Als voren, doch langs den rand zwarte driehoeken met roode en witte omtrekken. Daarop volgen aan eene zijde groené dwarsstrepen, aan de tegenovergestelde zijde groene ellebogen met witte omtrekken op rooden grond. In het midden rood, zwart en groene, gestileerde karbouwenkoppen op witten grond, verder groene driehoeken in roode ovalen, zwarte ruiten en concentrische zwarte, witte en roode driehoeken. M.

L. 17,9, br. 17,8 cM.

1926/1115. Als voren, doch in het midden eene vierbladerige, wit en paars gestreepte bloem in een oranje vierkant met rooden rand, omringd door roode en groene ruiten. Hierop volgt een wit en paarse rand, daarna wit en paars gestreepte ruiten, omringd door roode, gele en paarse randen. AI.

L. 18,3 br. 17 cM.

1926/1113. Als voren, doch in het midden vier elkaar kruisende banden, gevormd door oranje vierkanten met ongekleurde diagonalen. Hiertusschen grootere, blauwe en groepen van vier kleine, roode vierkanten. Langs den binnenrand groepen groene en langs den buitenrand groepen roode vierkanten. M.

L. 19, br. 17,8 cM.

1926/1111. Als voren, doch het ornament bestaat uit drie banden, gevuld met rood en zwarte ruiten, met driehoekige en kromme uitsteeksels (gestileerde buffelkoppen), gescheiden door banden, gevuld met roode en zwarte driehoeken. Langs een der zijden groote, zwarte en roode driehoeken met witte omtrekken. AI.

L. 18,8, br. 18,4 cM.

1926/1110. Als voren, doch de rand paars, rood en groen. Het midden door twee breede, elkaar rechthoekig kruisende banden in dezelfde kleuren in vier vierkanten

Sluiten