Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Houtbewerking.

1300/34. Vijl (kikt1), van ruw uitgesneden hout, cylindervormig, waartegen met behulp van dunne rotanreepen een rechthoekig stuk roggevel (boleki) gebonden is. — Voor houtbewerking. Toradja's.

L. 31, dm. 2,4 cM.

1647/755. Handvat, van een kapmes, flauw gebogen, in doorsnede ovaal stuk bruin hout, aan het eene einde dunner, omwikkeld met zigzagvormig vlechtwerk van ongekleurde rotanreepen, de reepen op regelmatige afstanden gedraaid en zoo rijen streepjes vormend. Aan weerszijden daarvan drie rijen vischgraatvormig vlechtwerk van fijnere vezels. Posso.

L. 11,5, dm. 2—3 cM.

1647/754. Als voren, cylindervormig, doch met drie van rotanreepen gevlochten ringen: één zigzagvormig (tweerichtingssysteem, tweeslag), één smal vischgraatvormig van enkele, één breed vischgraatvormig van dubbele reepen. Posso.

L. 9,5, dm. 3—3,5 cM.

1232/37. Als voren (taono3), doch in doorsnede ovaal, flauw gebogen, de eene helft met rotanvlechtwerk bedekt: diagonaal aan de randen en rondgaand in het midden, van bruine, gele en zwarte reepen. Toradja's.

L. 16, dm. 3 X 3,7 cM.

1926/447—448. Proeven van snijwerk8), de voorzijde groen gekleurd, de achterzijde ongekleurd (447) of wit (448); min (448) of meer (447) fijn uitgesneden in den vorm van opengewerkte bladkrullen. M.

L. 38 en 37,5, br. 16 cM.

5. Weven 4).

804/248. Spil van een garen winder, achtkantig, met vier smalle en vier breede zijden, in een platten knop eindigend; in het midden van de vier breede zijden eene langwerpig-rechthoekige opening; overigens zijn de breede zijden versierd met snijwerk in den vorm van kruisbloemen. M.

L. 19, dm. 3 cM.

804/242. Gedeelte van een weefgetouw6), over het grootste gedeelte der lengte in doorsnede vierkant en van eene groote, dwarse, ovale opening voorzien; aan beide uiteinden in den vorm van rondgaande groeven, afgewisseld door ruggen, gefatsoeneerd; het eene einde bloemknopvormig uitloopend, de beide volle zijden van het middengedeelte met snijwerk versierd: drie vierbladerige bloemen, waartusschen twee grootere, rupsvormige figuren. Alle hoogliggende gedeelten rood, terwijl de diepliggende grasgroen zijn gekleurd. Palopo.

L. 31,5, dm. 2,5 cM.

804/285. Als voren, doch bestaande uit een bruin houten plankje, met schuin afgesneden, gekartelde einden, rechten onderkant en dubbel concaven bovenkant. In het midden nabij den bovenrand van een groot gat voorzien, welks vorm aan een sleutelgat herinnert; aan weerszijden langs den bovenrand versierd met snijwerk: varenbladvormig langs de zijden en aan den bovenkant, met uitzondering van het middelste gedeelte, dat evenals een gedeelte der zijden versierd is met elkander kruisende insnijdingen, waardoor driekantige gaatjes worden omsloten; overigens

1) Vgl. Sarasiv, Reisen in Celebes, II, p. 293, fig. 103. — Kruyt, Woordenlijst, 33, s. v.

2) Adriani en Kruyt, De Barie-sprekende Toradja's, H, 192. — Kruyt, Woordenlijst, 70, s. v.

3) Vgl. T. N. A. G. 2e Serie XXXI (1914), p. 495. — Sarasin, H, 113. — Kaudern, Structures and settlements, p. 220, fig. 158—159.

4) Kruyt, Het weven der Toradja's (B. T. L. Vk. LXXVIII (1922), 403—425. — Idem, Af. N. Z. G. LXIV (1920), 14.

5) Zie Weber, I. A. f. E. Hl, Suppl. p. 38.

Sluiten