Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat het grootste gedeelte van het snijwerk van béide zijden uit bloemvormige figuren en kruisen binnen rechthoeken. Palopo. L. 22, br. 52 cM.

804/286. Gedeelte van een weefgetouw, als voren, doch in den vorm van de brug van een snaarinstrument, met eene groote, halfcirkelvormige insnijding aan den onderrand. Het snijwerk bestaat aan weerszijden uit golvende strepen langs den rand van het middengedeelte, terwijl aan beide einden oogjes en diepe, driekantige gaten door elkander kruisende strepen worden omsloten. Palopo.

L. 18, br. 3 cM.

1926/409. Koker voor een weefspoel (taropong), van bamboe zonder versiering, de spoel van palmhout, met groen garen omwonden. M. L. 39,3, dm. 2,5 cM.

43/40. Spoelkoker1) (torö), van bamboe, de eene helft versierd met driehoeken, radfiguren en zandloopers. — De bewoners van Posso, die zelf niet weven, maken zulke kokers voor den verkoop. Posso.

L. 36,5, dm. 2 cM.

1926/417. Als voren, doch zonder spoel, de bovenrand versierd met een rij ruiten, een rij kruisbloemen en een rij driehoeken. M. L- 39,5, dm. 2,5 cM.

804/284. Als voren, doch beide uiteinden versierd met drie, resp. zeven banden ingebrande driehoeken of schuine strepen. M. L. 41,5, dm. 2,5 cM.

1926/419. Als voren, doch het bovenste gedeelte versierd met tien rijen ingebrande figuren: enkele of dubbele, met de toppen naar elkaar toegekeerde driehoeken en ellebogen. Spoel van palmhout, met groen garen omwonden. M.

L. 42,8, dm. 2,5 cM.

804/231 J). Als voren, doch zonder spoel, de bovenhelft versierd met vijf rijen ingebrande driehoeken binnen rechthoeken en met ingesneden, rondgaande zigzagstrepen en ingestoken puntjes. Toradja's.

L. 43, dm. 3 cM.

1926/413. Als voren, doch het ornament van de bovenste helft bestaat uit vier banden driehoeken en een band schuine, evenwijdige strepen, gescheiden door smalle banden ruiten of ellebogen. M. ,

L. 33,3, dm. 2,3 cM.

1926/412. Als voren, doch de bovenste helft versierd met een breeden band bruine of bruin gespikkelde ruiten of vierkantjes, met driehoeken aan de kanten, omgeven door twee smallere, met driehoeken gevulde banden, die door een smallen band ongekleurde ruiten op bruinen grond van elkaar gescheiden zijn. M.

L. 40, dm. 2,5 cM.

1926/416. Als voren, doch met spoel van palmhout, die met rood garen omwonden is. De bovenste helft versierd met vier banden groote driehoeken, een band kleine driehoekjes, twee smalle banden ongekleurde kruisbloemen op bruinen grond, een band, gevuld met raderen met driehoekige velgen en een band met cirkelbogen en driehoeken. M.

L. 44, dm. 3 cM.

1926/420. Als voren, doch de spoel met zwart garen omwonden. De grootste helft versierd met driehoeken, gescheiden door ongekleurde zandloopers op zwarten grond. In het midden een dambordpatroon en horizontale, evenwijdige strepen. Tusschen de

1) Vgl. Jasper, Weefkunst, p. m, fig. 93. — Meyer nnd Richter, Ethn. Miszetten, II, pl. LI, 6g. 26—28.

2) Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 38, met pL II, fig. 7.

Sluiten