Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

driehoeken en het middendeel een rij vierpuntige sterren in gespikkelde vierkanten en eene rij, in twee driehoeken verdeelde ruiten. M. L. 38,9, dm. 3,3 cM.

1926/415. Spoelkoker {taropong), als voren, doch de spoel met wit garen omwonden. In het midden door ingebrande stippen gevormde, gestileerde hagedissen (?) en verder banden, gevuld met bruine of gespikkelde driehoeken, een dambordpatroon en een band met stippen gevulde parallelogrammen langs de opening. M.

L. 39,1, dm. 3 cM.

1926/418. Als voren, doch de spoel met rood garen omwonden. Van onderen twee salamanders (?), in het midden een groep zandlooperfiguren, omringd door twee banden gerekte driehoeken en kruisbloemen. Het midden door een slanglijn op gestippelden grond gescheiden van de driehoeken aan de uiteinden. M.

L. 40,8, dm. 2,5 cM. Zie plaat II, fig. 5.

1926/411. Als voren1), doch de spoel met zwart garen omwonden. De geheele oppervlakte versierd met ingebrande driehoeken, evenwijdige schuine strepen, ruiten en gestileerde dieren en menschen. De versiering in de bovenste helft onvoltooid en bestaande uit ingekraste driehoeken, kruisbloemen en ruiten. M.

L. 39,4, dm. 2,3 cM.

1926/410. Als voren, doch zonder spoel. De geheele oppervlakte versierd met driehoeken, ruiten, gevuld met stippen») of met spinvormige figuren. In de bovenste helft schuine rijen halve cirkels met driepuntige uitsteeksels en ruiten. M.

L. 39, dm. 2 cM.

1926/414. Als voren, geheel versierd: in het midden een breede band, gevuld met schuine rijen evenwijdige, horizontale lijnen, ruiten en parallelogrammen. Aan de uiteinden twee banden lang uitgerekte driehoeken, gescheiden door met Grieksche kruisen in door stippellijnen gevormde ruiten gevulde banden. M.

L. 36,5, dm. 2,6 cM.

1926/422. Als voren, doch het ornament bestaat uit: vier banden gerekte driehoeken, twee banden ruiten, een band kleine horizontale, evenwijdige streepjes tusschen evenwijdige, verticale strepen, een band, gevuld met varenbladfiguren in driehoeken, begrensd door uit cirkels bestaande ruiten, een band radfiguren met driehoekige velgen (padaon ampiri*) en een band duizendpooten, begrensd door sterren. M.

L. 37,7, dm. 2,4 cM. Zie plaat II, fig. 6.

1926/421. Als voren, doch de versiering bestaat uit: vier rijen gerekte driehoeken, drie rijen kruisbloemen (paboeah tina *), waarvan twee ongekleurd op bruinen en een bruin op ongekleurden grond, en een rij ruiten. Bovenaan een band sterren, waartusschen zeer duidelijke kippen en menschenfiguren. AI.

L. 38,7, dm. 2,5 cM.

1926/423. Als voren, doch in het midden een breede band, gevuld met spiraalvormige rijen horizontale, evenwijdige strepen en in twee driehoeken verdeelde ruiten. Aan de beide uiteinden twee rijen driehoeken en twee rijen ruiten. AI.

L. 36,4, dm. 2,4 cM.

1926/424. Als voren? (taropong), doch aan beide kanten open. In het midden groepen van zes rijen ingebrande verticale, evenwijdige strepen. Aan de beide uiteinden twee rijen driehoeken, gescheiden door twee rijen ruiten. M.

L. 41,4, dm. 4,5 cM.

1) Vgl. van Walcheren, Ornamentiek bij de Toradja's (Ned. Indië Ouden Nieuw,!), p. 147—157.

2) Pakolong boekoe = hals van de tekoekoer (van Walcheren, 1. c. p. 152, fig. 2).

3) Het ampiri-büA (van Walcheren, L c. p. 153, fig. 20).

4) Vracht van den tina-boom (van Walcheren, 1. c. p. 153, fig. 33).

Sluiten