Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/425. Roller1), van een weefgetouw, van bamboe, onversierd, met rammelende voorwerpen gevuld. M. L. 100, dm. 3 cM.

1926/427. Als voren, doch de uiteinden versierd met vier rijen driehoeken en twee rijen kruisbloemen. Het eene einde bovendien in het midden met ruiten en radfiguren met driehoekige velgen (padaon ampiri3). M.

L. 104, dm. 3,1 cM.

1926/429. Als voren, doch de uiteinden versierd met drie banden gerekte ruiten, twee banden, gevuld met rechthoeken, twee smalle banden ruiten, een smallen band evenwijdige schuine strepen en een smallen band, gevuld met cirkelbogen (pasoenghalia *). M.

L. 105, dm. 3,1 cM.

1926/426. Als voren, doch de uiteinden en het midden versierd: groepen vierkanten, begrensd door driehoeken en ruiten, of kruisbloemen. Een der tusschengelegen vakken versierd met spiraalbanden, gevuld met gestileerde menschen, met messen gewapend, en kippen. M.

L. 97,5, dm. 3 cM.

1926/428. Als voren (goeloenga), doch de uiteinden versierd met groepen driehoeken, ruiten en een netpatroon in het midden. Daaraan grenzend driehoeken, waarvan de zijden uit ovalen of ruiten bestaan. In het midden een gestileerd menschenfiguur (?) en een duizendpoot. M.

L. 116, dm. 2,6 cM.

1926/382. Dubbele koker, voor weefspoelen, cylindervormig, met vierkanten bodem, van bamboereepen zigzagvormig gevlochten. Om den rand een zwarte en een roode bamboehoepel, door paren rotanreepen bevestigd, die gedeeltelijk door den wand zijn gevlochten. Tot versterking langs de wanden vier zwarte bamboelatten, die elkaar onder den bodem kruisen en die aan den rooden randhoepel bevestigd zijn. Landjo.

H. 39, dm. 10,5 cM.

1926/449. Bamboekoker, met rood garen omwonden. M. H. 16,5, dm. 8,6 cM.

1926/406. Borstel, voor een weefgetouw*), van idfoei-vezels, van boven met vijf diagonaal gevlochten rotanbanden horizontaal omvlochten en geklemd tusschen een houten, met rotanvezels omvlochten juk met eene oogvormige opening, om den vinger door te steken. M.

H. 21,5, br. 14 cM.

804/249. Stof *) voor een rok, van de jonge bladeren van den gtbang«)-palm; aan het eene einde van lange franje voorzien. M. L. 361, br. 68 cM.

1) Vgl. Meyer nnd Richter, Celebes, I, p. 42 met pl. XII, fig. 5.

2) Van Walcheren, 1. c. p. 153, fig. 20.

3) Bamboe-omrastering in boogvorm (van Walcheren, 1. c. p. 152, fig. 4).

4) Vgl. Weber, 1. A. f. E. III, Suppl., p. 22.

5) Weber, /. A. f. E. III, Suppl., p. 37.

6) Corypha umbraculifcra (Jasper, Weefkunst, 23). Volgens de Clercq (p. 210, n° 887) Corypha Gebanga Bl.

Cat. Rijks-Ethn. Museum, DL XIX. 3

Sluiten