Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP IX.

Wapens en krijgskleeding '). I. Aanvalswapens.

I. Lansen en werpspiesen.

804/260*). Lans, de punt zeer breed, ruitvormig, de steel tienkantig, stekende in een schacht van rotan met een ringvormigen, aangesneden band beneden iedere geleding, het boveneinde met een breeden ring van vlechtwerk van fijne reepen, uitloopend in een diagonaal gevlochten rotanring, omwoeld. M.

L. 197, 1. punt 23,5, br. 7, dm. schacht 3 cM.

804/258 *). Als voren, doch de beide benedenkanten der punt concaaf en breed, de bovenkanten beitelvormig geslepen, de steel cylindervormig, in een bus uitloopend. Ruw bewerkte schacht van palmhout, het boveneinde van eene breede, ringvormige verdikking voorzien en daar, waar de punt op de schacht is bevestigd, met een breeden ring van, met hars ingesmeerd, vlechtwerk omwoeld. Het ondereinde omwoeld met zigzagvormig vlechtwerk van dunne rietreepen en onmiddellijk daarboven van eene ringvormige verdikking voorzien. Rongkong.

L. 179, 1. punt 29, br. 6,5, dm. schacht 3 cM.

1926/911. Als voren, de punt in het onderste gedeelte het breedst en van daar in schuine lijnen afloopend naar den afgeknot kegelvormigen steel. De schacht van gevlamd bruin hout, met een ijzeren ring om het ondereinde. M.

L. 157, 1. punt 22, br. 5,1, dm. schacht 2,1 cM.

1926/923. Als voren, de punt en de steel als bij n° 1926/911, doch de schacht van ruw bewerkt, lichtbruin hout, zonder ring, het ondereinde beschadigd. M. L. 168, 1. punt 32, br. 5,5, dm. schacht 3 cM.

1926/909. Als voren, doch de punt in den vorm eener vierzijdige pyramide. De schacht van donkerbruin hout, van boven met drie rondgaande ruggen, van onderen met drie diagonaal gevlochten rotanbanden omwonden en puntig uitloopend. M.

L. 172,5, 1. punt 24,3, br. 1,5, dm. schacht 2,2 cM.

1232/38. Als voren (tawala*), doch de punt lancetvormig, geleidelijk overgaande in den afgeknot kegelvormigen steel. De schacht van palmhout, puntig uitloopend, als voren, doch onversierd. Toradja's.

L. 163,5, 1. punt 32, br. 3, dm. schacht 2,5 cM.

1926/922. Als voren, de punt lang en smal, met middenrug, geleidelijk overgaande in den korten, geringden steel. Scheede van donkerbruin hout, van binnen recht afgesneden, tusschen twee rondgaande ruggen met fijn vezeldraad omwonden. Smalle geelkoperen steelring met concave zijden. Korte schacht van palmhout, het boveneinde geringd, het ondereinde schuin afgesneden, met een ijzeren ring omwonden. M.

L. 102,5, Punt 28,4, br. 3, dm. schacht 2 cM.

1) Adriani en Kruyt, De Barie-sprekende Toradja's, II, 190—195. ■— Afed. Ene. Bur. ad. II, p. 117—118. — Kruyt, T. I. T. L. Vk. LXIII, 265. — Kaudern, 7 Celebes obygder, I, 287—306. — van Hoêvell, T. I. T. L. Vk. XXXV, 24—25. — Kruyt, M. N. Z. G. XXXIX, 109, XL, 158 met pl.: Een Posso-Alfoer in oorlogsgewaad.

2) Weber, 7. A. f. E. III, Suppl. p. 40 met pl. I, fig. 9.

3) Weber, 1. c. p. 40 met pl. I, fig. 8. De ijzeren punt (fig. Sb) ontbreekt thans.

4) Adriani en Kruyt, De Barfe-sprekende Toradja's, II, 194. — Meyer und Richter, o. c. pl. XVI, fig. 1—2. — Kruyt, M. N. Z. G. XXXIX, p. 109 en XL, p. 139. — van Hoêvell, T. I. T. L. Vk. XXXV, 25: tobala! — Kruyt, Woordenlijst, 71, s. v.

Sluiten