Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/895. Lans, als voren, doch de steel der punt rechthoekig in doorsnede. De bus van zilver, kraagvormig uitloopend, daaronder een meloenvormig gedeelte en daarna, cylindervormig, met ingegrifte bladkrullen aan de beide einden. Schacht van palmhout, in een kegelvormige, ijzeren punt uitloopend. M.

L. 186, 1. punt 37,5, br. 3,9, dm. schacht 3,2 cM.

804/257. Als vorende punt rietbladvormig, met aan weerszijden langs het midden twee evenwijdige, bijna over de geheele lengte loopende groeven. Korte, dikke, tienkan tige steel. Schacht van donkerbruin hout, de bovenhelft met snijwerk versierd: ringvormige reeksen van schubben en twee banden elkander kruisende en zigzagstrepen en bladornamenten. Geelkoperen bus met vier ringvormige ruggen en bovendien met kraagvormig verbreed boveneinde; de ruimte tusschen ieder der beide paren ruggen met ingegrifte oogjes en aan weerskanten daarvan een varenbladvormig figuur versierd. De schacht loopt uit in een ijzeren punt. — De vorm dezer lans is dezelfde als die der Boegineezen. Paloppo.

L. 191, 1. pont 27, br. 2,7, dm. schacht 2,5 cM.

1926/910. Als voren, doch de steel der punt achthoekig. De scheede van bruin hout, puntig uitloopend, van boven en van onderen met ingesneden ringen en daartusschen met rotanreepen omwonden. Zilveren (?) bus met horizontale en spiraalbanden, gevuld met ingegrifte bladranken, kraagvormig uitloopend. Schacht van palmhout met ijzeren punt. M.

L. 181, 1. punt 28,9, br. 2,8, dm. schacht 1,9 cM.

1232/40. Als voren (sorongi*), de punt lancetvormig, de steel cylindervormig. De scheede in het midden van bruin, aan de uiteinden van zwart hout, beide einden door een diagonaal gevlochten rotanband van het midden gescheiden, knopvormig uitloopend. Zilveren bus, kraagvormig uitloopend, van onderen en van boven met banden spiralen. Schacht van gepolijst palmhout. Toradja's.

L. 187, 1. punt 30,5, br. 2, dm. schacht 2,3 cM.

1926/927. Als voren, doch de punt breed, eenigszins ruitvormig, met langer, afgeknot kegelvormigen steel. Dubbele, geelkoperen bus, de bovenste in het midden verdikt, de onderste kraagvormig uitloopend. Het tusschenliggende gedeelte van de schacht grootendeels met bladtin omwoeld. Schacht van palmhout, het ondereinde oorspronkelijk met tien zilveren banden omwoeld, waarvan sleehts één over is. M.

L. 203, 1. punt 39,5, br. 5, dm. schacht 1,6 cM.

1300/1. Als voren (sorongi3), doch de punt lancetvormig, met scherpen middenrug aan weerszijden, het ondereinde uitgeschulpt en overgaande in een korten ronden, dikker wordenden steel. Schacht van grijs palmhout, het boveneinde iets dikker, met rondgaande groeve en met cylindervormige, geelkoperen bus, die een kraag en rondgaande groeven vertoont; hieronder tot het bijeenhouden van een scheur een van rotanreepen gevlochten ringetje. Over een deel van de schacht omwinding met, aan fijn grijs touw geregen, vuilwit bokkenhaar (baloekari*). — Veel gebruikt door hoofden en aanzienlijken der Toradja's in Midden-Celebes. Afkomstig uit de Matana-streek.

L. 176, 1. punt 29, br. 3, dm. schacht 2,2 cM.

1710/98'). Als voren, doch de punt ruitvormig, met middenrug, door groeven gevolgd; groepen inkervingen op de smalle kanten nabij het ondereinde. Schacht

1) Weber in I. A. f. E. III, Suppl., p. 40.

2) Vgl. Meyer und Richter, pl. XVI, fig. 1—2. — Kruyt in Af. N. Z. G. XL, 139. — Idem, Woordenlijst, 65, s. v. — Adriani en Kruyt, De Barfe-sprekcnde Toradja's, II, 194.

3) Af. N. Z. G. XL, 139. — Vgl. SarASIN, Reisen in Celebes, II, pl. II.

4) Adriani en Kruyt, De BarSe-sprekende Toradja's, I, 137, II, 194.

5) Serie 1710 don. dr. G. A. J. van der Sande, Juli 1909.

Sluiten