Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van bruin hout, bijna geheel met omgebonden menschen(?) haren bedekt. De bovenste helft bovendien omwikkeld met rood geruit katoen met zwarte randen. Toradja's. L. 204, 1. punt 28, br. 3,5, dm. schacht 2,2 cM.

776/52. Lans (tawala1), als voren, doch de punt lancetvormig, in schuine lijnen in de afgeknot kegelvormige bus overgaande. Schacht van bruin, gepolijst hout, met flauw kolfvormig verdikt ondereinde, dat in een ijzeren punt uitloopt; om het midden is een groote bos lange, zwarte en rood gekleurde bokkenbaren bevestigd, terwijl de bovenhelft met strooken bladtin in dwarse en schuinsche, elkander kruisende gangen is versierd. Houten scheede, ovaal in doorsnede en met recht afgesneden, rond en knopvormig boveneinde, dat evenals het ondereinde met bladtin is omwoeld, terwijl het tusschengelegen gedeelte met grijze vezels omwonden is. M.

L. 183, 1. punt 39, br. 3,8, dm. schacht 2,4, 1. scheede 48,4, br. 4,6 cM.

43/1. Als voren (tawala), de punt met een scherpen middenrug aan weerskanten, in het midden het breedst, met twee inkepingen aan weerskanten en van daar geleidelijk naar den afgeknot kegelvormigen steel loopend. Effen, geelkoperen bus, kraagvormig uitloopend en met een rug daaronder. Schacht van niboeng (Öncosperma filamentosum BL.)-hout, van boven verdikt en van een aantal ringen voorzien, in het midden met een bos bokkenhaar (bandangd) versierd, een tooisel van gegoede of aanzienlijke personen, dat met een rotanring en een lap rood katoen bevestigd is, het ondereinde in een ijzeren punt uitloopend. Daarboven twee rondgaande ruggen. Het ijzer is afkomstig uit het binnenland en wordt door aan het meer van Liroe woonachtige Alfoeren bewerkt; het koper is Boegineesch maaksel en door handelaren aangebracht. Gekocht van den radja van Tamasa, een klein dorp aan de Posso-rrviet.

L. punt 31,3, br. 4, 1. schacht 157,5, dm. 2 cM.

2. Dolken.

1232/46. Dolk (balado2), het lemmet tweesnijdend met scherpe punt, van achteren aan weerszijden versmald. Greep van been, vischstaartvormig uitloopend, van onderen ovaal en met ingesneden ringen. Scheede van Boegineesch model, van wit hout, de mond verbreed en met snijwerk versierd, het ondereinde bladvormig uitgesneden en tweeslippig. Onder den mond eenige rotanvezels, om de beide stukken samen te houden. To Lage.

L. 29, 1. lemmet 17, br. 3, 1. greep 7,5, br. 5, 1. scheede 22,5, br. 4,8 cM.

804/235"). Als voren, doch het lemmet met vijf bochten. Greep van geel hoorn, ellipsvormig, met achterover gebogen, eenigszins bloemknopvormig uiteinde. Scheede van bruin hout, uit twee helften bestaande, die door omwoeling met smalle strooken groen katoen, waarbinnen een lus van vezeldraad is bevestigd, samen worden gebonden. De schoen uit een afzonderlijk stuk vervaardigd met vooruitstekenden onderrand. M.

L. 29, 1. lemmet 18, br. 2, dm. greep 3, 1. scheede 21, br. 5 cM.

3. Zwaarden *).

1926/353. Zwaard, het lemmet recht, de rug in een schuine lijn naar de punt loopend. Greep van donkerbruin hout, boven het lemmet verbreed, het uiteinde knie-

1) Adriani en Kruyt, De Bari e-sprekende Toradja's, II, 194. — Kruyt, Woordenlijst, 71, s. v.

2) Kruyt, Af. N. Z. G. XL, 140. — Idem, Woordenlijst, 9.

3) Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 40 met pl. I, fig. 7.

4) Adriani en Kruyt, De Barë'e-sprekende Toradja's, II, 191—193. — van Hoêvell in T. I. T. L. Vk. XXXV, 25. — Kaudern, I Celebes obygder, I, 295—297 met bild 90. — Kruyt, Af. N. Z. G. XXXIX, 109.

Sluiten