Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

draagband en niet met bladtin belegd. De schoen uit hetzelfde stuk hout gesneden als de scheede. Toradja's.

L. 73, 1. lemmet 47,5, br. 3,3, 1. greep 13, br. 4,5—6,5, 1. scheede 60, br. 4 cM.

1456/64. Zwaard, als voren (penai1), het lemmet als dat van n° 1232/44, doch de greep van zwartbruin hoorn, eerst puntig ovaal in doorsnede met verdikten onderrand en daarnaast zes vischgraatvormig gevlochten rotanringen; het boveneinde gebogen, hol, in den vorm van een krokodillenkop met aanduiding van tanden en tong; in de lengte met ruiten gevulde bandjes, die in horens eindigen, bovendien een rondgaand, dergelijk bandje. Zonder scheede. Zuidoever van het Posso-meet.

L. lemmet 48,5, br. 1,7—3,7, 1. greep 14, dm. 3,5 cM.

131/12 2). Als voren, doch het lemmet van onderen breeder en de rug in eenigszins concave lijn naar de punt loopend. De greep met vooruitstekenden, hoornen steelring, van bruin hout, eerst ovaal en met vier diagonaal gevlochten rotanbanden omwonden. Het uiteinde verdikt, verbreed en een stompen hoek met het ondereinde vormend, plat, met vier smalle banden diagonaal vlechtwerk en eenige elkaar kruisende banden gele reepen omwonden. De ijzeren doorn in het midden van het bovenvlak uitstekend. Toradja's.

L. lemmet $9,5, br. 2—6,3, 1* greep 17, dm. 3—9,5 cM.

1300/3. Als voren (penai*\, doch het lemmet smaller en de rug met flauw convexen boog overgaande in de punt. Greep van bruin hout, in doorsnede plat ovaal met een afgesneden, scherpen kant; aan het ondereinde plat en verbreed, het boveneinde gevormd tot een platten, uit bladkrullen bestaanden, gestileerden dierenkop. Scheede van bruin hout, aan eene zijde scherp, uit twee plankjes bestaande, die door vier rotanringen en een afzonderlijk schoentje worden bijeengehouden. Nabij het' ondereinde op den schoen een scherpe, rondgaande rug en aan weerskanten daarvan ingesneden driehoeken en zandloopers. Onder den mond ingesneden zandloopers tusschen snoerornament. Buiten de beide doorboorde verhoogingen, waardoor een rood koord geregen is, ingesneden zandloopers en daartusschen banden met gebogen lijnen, snoeren en vierbladerige bloemen. To Bada.

L. lemmet 40,5, br. 1,8—3, 1- greep 16,5, 1. scheede 57, br. 4 cM.

1926/348. Als voren, doch het lemmet golfvormig gedamasceerd. De greep van onderen recht, met vooruitstekenden steelring, van onderen en boven met een band ingesneden ruiten. Het boveneinde plat en verbreed met ingesneden bladfiguren en spiralen, naar den snedekant gebogen met een vlamvormig uitsteeksel aan die zijde. Scheede van bruin hout, zonder omwinding; het gedeelte tusschen de doorboorde ruggen met ingesneden bladfiguren tusschen twee rijen ruiten. Buiten de ruggen een slanglijn en reliëf. De schoen van lichtgeel hout met twee scherpe, rondgaande ruggen, vischstaartvormig uitloopend en met ingesneden driehoeken en gekartelde lijnen versierd. M.

L. 67, 1. lemmet 50,2, br. 3,4, 1. greep 16,1, 1. scheede 63,2, br. 5 cM.

1926/345. Als voren, doch het lemmet effen. De greep van hoorn, onversierd, een weinig naar de snedezijde gebogen, het uiteinde verbreed met een uitsteeksel aan weerszijden en hol. De scheede van twee stukken geelbruin hout. Onder den mond en tusschen de beide ruggen met fraai snijwerk in den vorm van vierbladerige bloemen, bladranken en bladeren versierd. De omwinding en de schoen ontbreken. M.

L. 56, 1. lemmet 43, br. 2,8, 1. greep 13, 1. scheede 57,9, br. 5,5 cM.

1) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 69, n» 378 met pl. XVI, fig. 8.

2) Serie 131 don. dr. B. F. Matthes, Oct. 1871.

3) Kjlüyt in M. N. Z. 6. XL, 139. — Sarasin, Sitsen in Celebes, I, 268 vlg.

Sluiten