Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1232/43. Zwaard, als voren (penai1), het lemmet als dat van n° 1926/345, doch de hoornen greep in den vorm van een dierenkop met onderaan een sik (djonga = djangkoï), die tweeslippig en bladkrulvormig uitgesneden is. Het omgebogen einde met insnijdingen over de lengte. Aan het ondereinde een golflijn ingesneden onder den vooruitstekenden steelring. De scheede van geel hout, de eene zijde lichtrood gekleurd, met drie banden rotanreepen omwonden. Het onder- en boveneinde en het gedeelte tusschen de doorboorde ruggen versierd met snijwerk: driehoeken, bladkrullen en golfstrepen. De schoen met vooruitstekenden, scherpen rug, waaiervormig uitloopend en poortvormig uitgesneden, van hetzelfde stuk hout als de scheede. Toradja's.

L. 85, 1. lemmet 47, br. 3,5, 1. greep 18, 1. scheede 67, br. 4,5 cM.

1926/355. Als voren, doch het lemmet zeer smal, de greep van onderen met ingesneden zandloopers versierd. Het boveneinde naar de snedezijde gebogen, verbreed, bladvormig en driemaal diep ingekeept, onversierd. De scheede van geel hout, met drie vischgraatvormig gevlochten rotanbanden omwonden. Het gedeelte tusschen de beide doorboorde ruggen met, door ruiten begrensde, varenbladfiguren, het ondereinde met ingesneden zandloopers versierd. De schoen met twee kraagvormige, scherpe ruggen, het ondereinde met ingesneden driehoeken, het midden van den onderrand hartvormig ingekeept. M.

L. 52,5, 1. lemmet 37,3, br. 2,4, 1. greep 17,5, 1. scheede 60,3, br. 3,6 cM.

1926/340. Als voren, doch de rug van het lemmet in een convexe lijn naar de punt loopend. De greep van hout, het ondereinde als voren, doch het midden met ingesneden bladkrullen, het boveneinde naar de snedezijde gebogen, verbreed en met ingesneden spiraal, tweemaal ingekeept. Scheede van lichtbruin hout, met vier diagonaal gevlochten rotanbanden omwonden. De rand onder den mond versierd met ingesneden slanglijn, varenbladfiguren en driehoeken, het gedeelte tusschen de ruggen met ingesneden golflijnen, begrensd door slanglijnen, vierbladerige bloemen en pijlpunten. De schoen uit een afzonderlijk stuk palmhout bestaande, met een kraagvormigen rug, het ondereinde met vele insnijdingen in de lengte. M.

L. 48, 1. lemmet 36, br. 1,9, 1. greep 13,5, 1. scheede 55, br. 4,5 cM.

1232/45. Als voren (penai3), doch het lemmet gedamasceerd, de greep van zwart hoorn, hoefvormig (pangkoï), hol, geheel effen en onversierd, zonder steelring, van boven verbreed, omgebogen en uitgeschulpt. De scheede van geel hout, met vier vischgraatvormig gevlochten banden gele reepen omwonden, met twee jukvormige, doorboorde verhevenheden voor den gordel, het ondereinde verbreed, zonder schoen en niet versierd. Toradja's.

L- 65,5, 1. lemmet 43, br. 3, 1. greep 15, 1. scheede 51,5, br. 4,5 cM.

1456/70. Als voren (penai*), doch de rug en de snede van het lemmet beide met convexen boog naar de punt loopend. De greep van boven flauw gebogen, eenigszins hertepootvormig, het ondereinde verdikt. De scheede van donkerbruin hout, grootendeels met rotanreepen omwikkeld en bovendien met vier in groeven gelegde, diagonaal gevlochten rotan bandjes; aan de twee middelste hiervan een draagsnoer van grijs touw. De bovenrand gedeeltelijk weggesneden. Schoentje van hoorn, naar onderen breeder uitloopend. Toradja's, Paloppo.

L. lemmet 42, br. 2,2—3,5, 1. greep 13, 1. scheede 48, br. 4,3—5 cM.

1599/592*). Als voren, doch het lemmet gedamasceerd met golflijnen, zeer versleten, flauw gebogen, naar onderen smaller en puntig; de rug flauw concaaf, naar onderen dunner, het onderste deel geslepen, de snede flauw convex. Greep van zwart hoorn,

1) Kruyt, Af. N. Z. G. XL, 139.

2) Kruyt in Af. N. Z. G. XL, 139.

3) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 40, n° 380. Vgl. pl. XXV, fig. 16 en \6a.

4) Serie 1599 leg. T. J. Veltman, Juni 1907.

Sluiten