Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

776/50!), 1232/49») en 1926/369*). Schild, als voren, n* 50: aliawoe, n° 49: kanta rongko-rongko, doch versierd met twee rijen van drie, met de toppen naar elkaar gekeerde driehoeken van paarlemoer, de onderste en de bovenste band gescheiden, de beide middelste banden door twee rijen Afarra-schelpen begrensd. Aan het boven- en ondereinde vijf (369) of zes (49 en 50) horizontale, evenwijdige rotanreepen, n° 49 en 50 met rotanlus. — Het omgekeerd dragen, zoo, dat het haar gaat opstaan, duidt op vijandige bedoelingen des dragers. 50: Tomint-bodxi, 49: Toradja's, 369: M.

L. 110,5, I07 en "°i br. 14,5, 14 en 14,5, h. 9, 13 en 11,5 cM.

1456/71 en 1710/99. Als voren (kanta*), doch bij n° 71 zijn alle vier de banden met twee groepen van twee driehoeken van been ingelegd, bij n° 99 de onderste en bovenste met twee, de beide middelste banden met drie driehoeken; n° 71 met drie bossen lang afhangend, zwart geitenhaar, n° 99 met twee bossen rood gekleurd en een (in het midden) zwart geitenhaar; n° 99 met rotanlus aan den bovenrand. 71: To Pebato, Jajaki, tusschen Posso en Matana-meer, 99: Toradja's.

L. 115 en 116, br. 9,5—13,5 en 9,5—15, h. 6—n en 8,5—10 cM.

43/86). Als voren (kaliawo *), doch in den bovensten en ondersten band twee groepen, ieder van vier staande, beenen driehoeken, door een dubbele rij Nassaschelpen gescheiden, in de beide middelste banden twee groepen van twee, met de toppen tegen elkaar gekeerde, liggende, beenen driehoeken, begrensd door twee rijen Afomz-schelpen. De binnenzijde gedeeltelijk zwart gekleurd. — Gekocht te Posso.

L. 108, br. 18,5, h. 15 cM.

1599/580. Als voren, doch veel breeder, met driehoekige einden, waarlangs aan de voorzijde vischgraatvormig gevlochten rotanvezels doorgestoken zijn. Op de voorzijde rijen van bosjes zwart geitenhaar. Voor- en achterzijde donkerrood geverfd met bruine en grijsgroene ovalen, bladkrullen en spiralen. Aan de achterzijde, uit hetzelfde hout gesneden, een cylindervormig handvat, aan weerszijden verbonden aan groote trapeziumvormige blokken, die aan eene zijde trapsgewijze afloopen en met ingesneden bladkrullen bedekt zijn. Zeer beschadigd, aan de achterzijde ter reparatie eenige aangespijkerde plankjes. M.

L. 96, br. 33, h. 6,5 cM.

Zie plaat VI, figuur 3 en 5.

1818/21. Als voren, doch van buffelhuid7), trapeziumvormig, over de lengte flauw gebogen. Op de voorzijde ingesneden, zwart, wit en rood geverfde versieringen: krullen, effen en getande cirkelbogen, maeanders binnen vierkanten en bovenaan een rij ovalen. Aan de binnenzijde een grof, krom handvat van geel hout, met doorgestoken rotanreepen bevestigd. Loewoe.

H. 38,5, br. 22—26, h. 5 cM. Zie plaat VI, fig. 1.

1818/22. Als voren *), de voorzijde convex, de achterzijde concaaf met een ruwen,

1) von Rosenberg, Reistogten- in Gorontalo, pl. III.

2) Kruyt, M. N. Z. G. XL, 140. — Meyer und Richter, o. c. pl. IX, fig. 8, pl. XVI, fig. 6. — Sarasin*, Reisen in Celebes, I, p. 258, fig. 72.

3) Grubauer, p. 47, fig. 30, links. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 194—195 met pl. n° 30.

4) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 71, n° 433 met pl. XVI, fig. 6 en 6a. — Cat. Bat. Gen. Suppl. II, p. 60, n° 8823. — Kruyt, Wdl., 31, s. v.

5) Serie 43 don. C B. H. von Rosenberg, Dec. 1864.

6) Volgens van Hoêvell (T. I. T. L. Vk. XXXV, p. 25) paleawo.

7) Loebèr, Leder-' en perkamentwerk, 16. — Spat, Schilden van buffelleer uit Loewoe (Het Ned.-Ind. Huis, Oud en Nieuw, Juli 1913), p. 156—160. — Grubauer, p. 224, afb. 129.

8) Vgl. Grubauer, afb. op den omslag.

Cat Rijks-Ethn. Museum, DL XIX. 4

Sluiten