Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP XI.

Kunst en kunstnijverheid. Spelen1).

I. Muziekinstrumenten.

1300/36. Trom (ganda*), holle cylinder van bruin hout, aan weerszijden met buffelhuid' bespannen, vastgehouden door doorgestoken en in elkaar gedraaide groepen rotanreepen (spansnoeren). Deze zijn geslagen om een ring van drie rotanreepen, waaronder talrijke houten wiggen voor het spannen zijn gestoken. De beide ringen verbonden door een rotanreep, waaraan de trom kan worden opgehangen. Toradja's.

L. 60, dm. 16 cM.

1300/37. Als voren (kara/oe*), uit één stuk geelbruin hout; het boveneinde vertoont een afgeknot kegelvormige trom, waarvan het wijde bovenvlak met buffelhuid is bespannen; deze wordt vastgehouden door. doorgestoken spansnoeren van dubbele rotanreepen, die ineengedraaid en lusvormig gevlochten zijn om eenige bamboereepen, om de trom gevlochten en waaronder voor het spannen vier houten wiggen zijn gestoken. Het ondereinde van dit deel met een dikkeren, rondgaanden band met groeven in den vorm van driehoeken. Hieronder vier vierkante stijlen, vervolgens eene vierzijdige pyramide, naar onderen dunner en met gekartelde kanten, vervolgens drie opvolgend grootere, ronde ruggen en eindelijke een uitstaande, zeszijdige pyramide als voet. Toradja's.

lm 91, dm. $,5—12,5 cM. Zie plaat VIII, fig. 6.

1300/6. Viool (geso-geso *), klankkast van hout, hartvormig, bespannen met een stuk buffelhuid; de onderzijde plat met vier ronde gaatjes tusschen de bladeren van een uitgesneden ornament. Onder de klankkast een plat, krulvormig uitsteeksel met uitgesneden bladornament. De hals van bruingeel hout, in doorsnede vierkant met afgesneden kanten; nabij de klankkast vaasvormig verdikt, het boveneinde veel breeder, plat en met a jour uitgesneden bladornament; door dit gedeelte steekt een sleutel met bladvormig boveneinde. Hieraan en aan een spijker onderaan een koperen snaar. Als strijkstok bijgevoegd een gebogen stokje, in doorsnede achtkantig; hierop twee kleine krulvormige uitsteeksels. Het eene einde bewerkt als spiraal, het andere als drakenkop. Met behulp van lusjes rood garen zijn in het concave deel van den strijkstok eenige paardenharen gespannen. To Kadomboekoe.

L. klankkast 28, br. 17, h. 7, 1. totaal 91, 1. strijkstok 46 cM.

1232/60. Als voren (geso-geso), doch de halve kokosdop met het darmvel van een buffel bespannen. De hals bestaat uit een platten staaf van geel hout, aan welks ver-

ij Literatuur: Adriani en Kruyt, De Barè'e-sprekende Toradja's, II, p. 379—391 met pl. „muziek", fig. 2 bovenaan. — Grubauer, 53, 86, 91, 99, 142, 169, 429. — Kruyt in M. N. Z. G. XLI, 42—52. — Idem, T. N. A. G. 1909, 373. — ten Kate, Het moraego (Af. N. Z. G- i9!5» 332 e. v.). — Adriani-Gunning (M.), Toradja'sch leven {Eigen Haard, 1916, 224: Kinderspelen). — Kaudern, o. c. I, bild 100: Roelawi-vmgdom dansende tnorego, bild 132: Aforego-dtxa, p. 467, p. 519, bild 166, p. 522, bild 168, II, p. 63—101 met bild 28—48, p. 264—265 met bild 104.

2) Adriani en Kruyt, o. c. II, 380. — Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, p. 45 met pl. IL. — Vgl. Sarasin, Reisen in Celebes, II, p. 124, fig. 56. — Grubauer, 143. — Kaudern, IL, 101.

3) Adriani en Kruyt, o. c. I, 241, 367, 375, 380, II, 130, 143, 379, 380 met pl. «muziek", fig. 1. — Kruyt in Af. H. Z. G. XXXIX, 232 en XLI, p. 45 met pl. II, fig. e. — Kaudern, o. c. I, 388 met bild 122. — Idem, Structures and settlements, fig. 160 en 241. — Grubauer, p. 409, afb. 218. — ten Kate, Af. N. Z. G. \NW, p. 42.

4) Adriani en Kruyt, o. c. II, 383 met pl. „muziek", geso-geso, bovenste figuur. — Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 44.

Sluiten