Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een rechthoekig gat voorzien. Aan weerszijden hiervan is op een of twee plaatsen de opperhuid losgemaakt en door ondergeschoven stukjes hout als snaar gespannen. — Volgens dr. Kruyt zijn er gewoonlijk slechts twee snaren. Toradja's. L. 35, dm. 7,5 cM.

776/39. Muziekinstrument (talaio'1), op een stemvork gelijkend, van een bamboekoker, waarvan de wand op twee plaatsen weggesneden is, zoodat de overgebleven stukken tongvormig zijn. In het midden der tongen blad- en ruitvormige figuren ingegrift. Beneden de tongen is het, tot handvat dienend gedeelte van dicht aaneenliggende, overlangsche groeven en van twee, tegenover elkander gelegen, driehoekige gaatjes voorzien. Om het begin van het handvat is een ring van rotanreepen bevestigd. — Het geluid wordt, door de einden der vork tegen een of ander voorwerp te slaan, voortgebracht; door de beide driekantige gaatjes boven het handvat met den duim te sluiten, verkrijgt men verschillende tonen. Posso.

L. 73,3, d. 4—4,7 cM.

1232/59. Als voren (rere3), doch de tong onversierd en de insnijdingen in het gedeelte, dat als handvat dient, minder diep ingesneden. Zonder rotanomwinding; in een bamboekoker. Toradja's.

L. 56, dm. 3,1 cM.

776/40. Fluit (toejali*), van bamboe, met zes galmgaten en, van een rotanreep ineengewoelden ring om de blaasopening, die door een gedraaid vezelsnoer met de fluit is verbonden. Het ondereinde steekt in een dikker eindje bamboe, om welks midden een vischgraatvormig gevlochten ring van rietreepen is bevestigd. — Wordt bij het bespelen loodrecht onder de lippen gehouden. Posso.

I» 89,5, d. 2,5 cM.

Zie plaat VIII, flg. 5.

804/241 4). Als voren, de blaasopening met een rotanring omwonden, die door een eenvoudig Vezelsnoer met de fluit verbonden is. Het ondereinde niet in een bamboekoker stekend. Loewoe.

L. 57, dm. 2 cM.

1300/10. Als voren (lolowe6), het boveneinde dunner, gesloten en in de schuinte doorboord; nabij het andere, open einde over een deel afgevlakt, met vier ingebrande gaten en vijf rondgaande groeven. — Waarschijnlijk beschadigd. Toradja's.

L. 62,5, dm. 1,9 cM.

1300/9. Neus fluit (sanggona9), het eene einde open, het andere door een doorboord tusschenschot gesloten. Nabij het open einde op eene plaats afgevlakt en met drie ingebrande gaten. — Waarschijnlijk defect. Toradja's.

L- 59,5) dm. 1,7 cM.

1456/56. Fluit7), het eene einde met een schuine lip afgesneden en hierin een rechthoekig gat; aan het andere einde van de opperhuid ontdaan, met rondgaande groeven en ingesneden, gekruiste lijnen. Aan eene zijde een ingebrand rond gat, aan de andere zijde vier gaten op gelijken afstand. — Het boveneinde waarschijnlijk defect. Loewoe.

L. 21, dm. 1,3 cM.

1) Adriani en Kruyt, o. c. II, 381 met Atlas, pl. „hoofdstuk muziek": beeree (lees reeree). — Kaudern, II, 100 met bild 104, fig. 2 en 3.

2) Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 46 met pl. II, fig. ƒ. — Meyer and Richter, o. c. pl. XVII, flg. 4. — Grubauer, p. 428, afb. 226. — Kruyt, Wdl. 58, s. v.

3) Adriani en Kruyt, o. c. II, 382. — Kaudern, II, 97.

4) Weber in /. A. f. E. III, Suppl., p. 41.

5) .Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 44. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 382. — Kruyt, Wdl. 42,s. v.

6) Kruyt in Af. N. Z. G. XLI, 43. — Adriani en Kruyt, II, 382. — Kaudern, II, 97.

7) Weber in /. A. f. E. III, Suppl., p. 41.

Sluiten