Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1300/13. Kinderspeelgoed, van buffelhoorn (tondoe baoeld), twee stuks, in den vorm van een paar buffelhoorns aan een ring. — Zij worden door kinderen uit hoorn of uit den hoef gesneden; zij steken het voorwerp aan een vinger en bootsen daarmede vechtende buffels na. Toradja's.

H. 6, br. 3,8 cM.

804/261. Als voren (logo1), bestaande uit een schildvormig en twee hartvormige stukken klapperdop; de bovenrand der beide laatste is van inkepingen en uitsnijdingen voorzien. — Met het schildvormige stuk wordt naar de beide versierde geworpen, die in den grond gestoken zijn; hetzelfde spel werd ook te Makasar gezien. M.

L. 8,5, br. 8 cM.

GROEP XII.

Godsdienst. Genees- en heelkunde2). Opvoeding en onderwijs.

776/37 en I377/1- Schedelmaskers (pemia*), van lichtgeel hout, voorstelling van het voorste deel van een menschelijk (vrouwelijk) gezicht; het haar zwart geverfd, evenals de wenkbrauwen en oogranden; lange, smalle neus, bij n° 1 met kleine, ronde neusgaten; kleine ronde ooren (bij n° 37 een onbrekend), bij n° 1 met concentrische groeven en doorboorde oorlel. Kleine mond, bij n" 1 met bruine stof besmeerd. Op de wangen bij n° 1 nog zichtbaar de stippen van varkensbloed, waardoor de dooden gemeenschap krijgen met de offerdieren. Onder de kin een lange, in doorsnede vierkante stok, met afgesneden kanten en puntig ondereinde. — In gebruik bij het doodenoffer (tengke*). In deze maskers zou de ziel van een overledene huizen. To Lage.

L. 46,5 en 62, 1. gezicht 20,5 en 22,5, br. 14,5 en 16 cM. Zie plaat IX, fig. 4 (1377/1).

131/60. Krokodil6), van lontarbladreepen diagonaal gevlochten, meteen groot aantal uitsteeksels op den rug. — Bij de Toradja's en Alfoeren in gebruik, om er rijst tot offeranden voor de afgestorvenen in op te hangen. M.

L. 62, br. 7 cM.

1) Matthes, Mak. Wdb., 624, s. v. lêgo met At/as, pl. XIII, fig. 14. — Idem, Bijdragen, 130.

2) Adriani en Kruyt, o. c. I, 245—422, II, 81—146. ■— Sarasin, o. c. I, 231, 272, 273, II, 54, 291. — Med. Encycl. Bureau, afl. II, p. 106—117, 123—127. — Kruyt in T. N. A. G. 1908, p. 1297—1327 en T. N. A. G. 1909, p. 378—380. — Idem, T. I. T. L. Vk. LXIII, 136—175 en LXXVI, 421—423. — Kruyt in M. N. Z. G. XXXIX, 2—36 en 230—236, XL, 7—31 en 261—271. — Grubauer, o. c. 440, 485. — ten Kate, Het Ende-feest (doodenfeest bij de To Napoe in Midden-Celebes) M. N. Z. G. 1913, 35. — Kruyt, Measa {B. T. L. Vk. LXXIV (1918), 233—260, LXXV (1919), 36—133 en LXXVI (1920), 1—116. — Kaudern, o. c. I, 239, bild 81: lobo en pl. naast p. 240: ba/ia, p. 251, p. 293, bild 89: begravning, p. 316—322 met bild 93: Tosindis begravning, 94: Likkisia en 95: Maradikagravar, p. 354— 355 met bild 107—108, p. 368—374 met bild 114: begravning i Kantewoe, p. 388 met bild 121: offeraltare St andarna, p. 410, 417—418, 488, 491, p. 511 met bild 162: lobon i Winatoe, p. 518, bild 165: Ldbon i TSro, p. 525, bild 170: tëmpat sitan, p. 526, bild 171: Isbon i Tikala, p. 527, bild 172, p. 546, bild 179, II, p. 21—36 met bild io—17, p. 194—202 met bild 75—76. — van Hoëveix, T. I. T. L. Vk. XXXV, 22—24. — Kaudern, Structures and settlements, p. 96—401. — kruyt, De Moriëis (B. T. L. Vk. LXXX, 111 —142 en p. 182—213). — Kaudern, Structures and settlements, 96—375.

3) Kruyt in M. N. Z. G. XXXIX, 34 en 236, XL, 9. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, 231, II, 292, fig. 102. — van Hoêvell in T. B. G. XXXV, 23. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 129, 132, 133, 143 met plaat-„lijkbezorging", middelste figuur. — Grubauer, o. c. p. 441, fig- 235- — Kaudern, II, 201, bild 76. — Kruyt, Measa, B. T. L. Vk. LXXV, 125.

4) Adriani en Kruyt, o. c. II, 127—146. — Kruyt in M. N. Z. G. XXXIX, 230—236.

5) Vgl. Kaudern, o. c. I, 438: pinetaoe van idjoek, in den vorm van een krokodil.

Sluiten