Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pies van rose of paars geverfde veeren bevestigd. — Worden bevestigd op het hoofdeinde van de pakken beenderen van voornamen, als een teeken, dat de overledene tot den adel (kabosenjal) behoorde. To Lage. L. 26, d. 1 cM.

Zie plaat IX, fig. 1.

1377/2. Kookpotje2), van bruin verglaasd aardewerk, afgeknot kegelvormig, aan de opening het wijdst Nabij den bovenrand vier gaatjes, waardoor reepjes boombast zijn gestoken, die boven het potje tot een hengsel zijn vereenigd. — Deze potjes, die den overledene in het hiernamaals tot kookpot moeten dienen, worden bij het doodenfeest tegelijk met de beenderen der afgestorvenen in de lobo *) (raad- en geestenhuis) rondgedragen. To Lage.

H. 6,5, dm. 3,8—6,5 cM.

1008/66*). Wierookvat, bestaande uit een grooten pot, met dikken buik en convexen bodem, de rand schuin naar beneden gebogen, van boven gekarteld. Het ronde deksel van boven concaaf, met cyündervormigen knop in het midden. Kaili, Palos-baai.

H. 15, dm. 19,2 cM.

1456/69. Buikband (ale*), van vischgraatvormig gevlochten rotanreepen; over de breedte eenigszins concaaf; de buitenzijde rood geverfd. Doorgesneden. — Deze zeer nauwe band wordt door vrouwen en meisjes gedragen en alleen hij zwangerschap4) losgesneden. To Pebato, Mapane.

Br. 4,5, dm. 15 cM.

1759/34- Hoofddoek (siga7), van geklopte boomschors, vierkant, ongekleurd. — Bij rouw gebruikt. To Lage. L. en br. 75 cM.

1927/18). Doodenkleedje, van katoen, de randen rood met witte geïkatte vlekken en blauwe en zwarte strepen. Het midden zwart met geïkatte wit-en-roode ruiten. Ook de zijkanten geïkat: witte driehoeken op rooden grond, roode kruisen op witten grond en verder onmerkbaar in elkaar overgaande roode, witte en zwarte geïkatte banden. Bare'e-Toradja's, Rampi, afd. Loewoe.

L. 218, br. 150 cM.

2078/7 •). Doodendoek10), van rood katoen, met geïkatte figuren: in het midden zwarte en witte kruisen en rood zwarte ruiten met witte omtrekken. Hoofdfiguren aan weerszijden van het midden aan beide langsranden twee menschenfiguren, ieder met een hond en een vogel, bruin en wit. De langsranden wit, zwart, geel, rood en blauw met witte geïkatte figuren op rooden grond. Aan de smalle einden roode en zwarte ruiten met witte omtrekken. Verder ovalen met roode, blauwe en witte zigzaglijnen enz. De franje aan beide korte einden rood. — Zeer zeldzaam. Masambe. AI.

L. 430, br. 154 cM.

1) Adriani en Kruyt, o. c. i, 128, 168.

2) M. N. Z. G. XXXIX, 235.

3) Adriani en Kruyt, o. c. I, 285—290. — Sarasin, o. c. I, p. 218, fig. 63, p. 229, fig. 65; II, p. 22, fig. 6 en p. 122, fig. 55. — Kaudern, o. c. I, 239, bild 81, p. 354—355, bild 107—108.

4) Cat. Bat. Tent. p. 186, n° 1979.

5) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 62, n° 326 met pl. XIV, fig. 2. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, p. 266, fig. 79. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 224—225 met Atlas, plaat „kleeding en versierselen".

6) Vgl. Kruyt, De Toradja's van de Sa'dan-, Masoepoe- en Mamasa-rivieren (T. I. T. L. Vk. LXIII), 126—136. — Idem, T. N. A. G. XXVI (1909), 376.

7) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 8 en 51. — De Barè'e-sprekende Toradja's, I, 95, II, 122, 221, 225, 261.

8) Serie 1927 don. E. W. F. van Walchrrn, Juli 1916. — N. St Crt. v. 23 Sept. 1916,^224.

9) Serie 2078 aankoop F. Enserinck, Dec. 1925.

10) Vgl. van nouhuys, Ned.-Indii Oud en Nieuw, X, p. 117, fig. 8—9 en p. 118, fig. 10.

Sluiten