Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

776/25^ en 1926/noi1). Sigarenkokers, als voren, doch ovaal in doorsnede, van «/to ^stengels gevlochten in een patroon van ruiten (2 $b) of schuine strepen (1101). Langs de randen een smalle paarse (1101) of breede, wit en zwart gemarmerde (25^) streep. Gorontalo.

L. 10,5 en 11,5, dm. 4,2 X 5,6 en 3,7 X 5,8 cM-

1926/478 s). Als voren, doch plat, rechthoekig, van ongekleurde /««^«-bladreepen diagonaal gevlochten. Menado. H. 12, br. 7,5 cM.

43/31. Als voren (bako), doch minder plat, van ongekleurde, roode en zwarte nipabladreepen in ruitpatroon diagonaal gevlochten. Gorontalo. H. 9, br. 5,5 cM.

43/33. Als voren (abila *), doch cylindervormig, van bamboe, met ongekleurd, zwart, rood en groen garen overtrokken in een patroon van horizontale evenwijdige lijnen, door schuine evenwijdige lijnen gekruist. Het deksel door een draad garen aan den bodem van den koker verbonden. Gorontalo.

H. 7,6, dm. 3,7 cM.

43/32. Doosje (bako*), van silar (Corypha umbraatlifera)-b\a.dreeven zigzagvormig gevlochten, zeshoekig, met overschuivend deksel, dat door een touwtje met de doos verbonden is. — Dient tot het opbergen van tabak, betelkoek, enz. Gorontalo.

H. 3,5, dm. 5,3 cM.

1926/802 •). Als voren (lopa-lopal), doch rechthoekig, met overschuivend deksel, van ongekleurde en roode j<7ar-bladreepen rechthoekig in een patroon van concentrische ruiten gevlochten. Van binnen en van onderen ongekleurd. Tonsea.

L. 12,5, br. 4,5, h. 5 cM.

43/55. Opiumpijp (pamoedoekan), met roer van bamboe, het boven- en ondereinde van hoorn, de kop van gebrande aarde, met verticale ingesneden lijnen, het ondereinde met een tinnen bekleedsel aan het roer bevestigd. — Om te rooken legt men op eene kleine opening in den kop een balletje opium ter grootte eener erwt, brengt die opening nabij de vlam eener lamp en zuigt den rook op van het in een oogenblik tijds verbrande bolletje. Een ijzeren priem dient om de pijp te reinigen. Gorontalo.

L. 47,5, dm. 2,1, dm. kop 5 cM.

43/37. Kalebas (takatoila), vervaardigd van de uitgeholde vrucht der Lagenaria vulgaris, met houten, geringden stop. — Dient tot het bewaren van fijne kalk voor sirih (Chavica betle). Parigi, Gorontalo.

L. 24,5, dm. 4,8 cM.

1647/987. Sirihtasch8), van diagonaal gevlochten, op elkaar gelegde, ongekleurde pandan-ieepen; rechthoekig met geheel overschuivend deksel. In den onderrand van het deksel en op eenigen afstand daarvan in de vlechtreepen eene rij driehoekige vouwen gelegd. Bwool.

H. 12, br. 12 cM.

1) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 135, n* 6392.

2) Arenga saccharifera Labill. (de Clercq, n' 322).

3) Cat. Bat. Gen. p. 169, n° 2786.

4) Schröder, Gor. Wdl., 106. — Graafland, I, 344.

5) v. Rosenberg, Reistogten, 30.

6) Cat Bat. Gen. p. 170, n* 2796.

7) Jasper, Vlechtwerk, 159. — Schwarz, Tont. Wdb. 252, s. v.: voor tabak.

8) van Spreeüwenberg, (T. N. I. VII, 4), 315.

Cat- Rijks-Ethn. Museum, DL XIX.

5

Sluiten