Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/846 *). Pinangtasch (sompoi*) pinindis), plat, rechthoekig, van palmbladreepen diagonaal gevlochten. De bovenrand omgevouwen. Aan de beide uiteinden is een platte, diagonaal gevlochten draagband bevestigd. Toumboeloes. Minahassa.

L. 21,5, br. 18 cM.

16/101. Sirihdoos*), rechthoekig, met scharnierend deksel; van palmbladreepen, win binnen rood, van buiten aan den inspringenden voet ongekleurd en rood. Van binnen door een tusschenschot in twee ongelijke deelen verdeeld. De geheele buitenzijde, met uitzondering van den voet, met zwarte, gele, roode, groene en ongekleurde kralen overtrokken, in een patroon van ruiten en zigzaglijnen binnen een door witte kralen gevormde lijst. Menado.

L. 23, br. 15, h. 9,5 cM.

GROEP II.

Kleeding en sieraden4). J. Sieraden.

16/668. Hoofdversiersel5), van zwarte, gele, roode en groene vederen, door omwinding met rotanreepen en een lapje wit (?) katoen bevestigd aan een stokje van palmhout, dat van onderen aangepunt is. N. (?).

H. 52,5 cM. ■

43/59. Vrouwenhaarkam (hoeheidoe6), van wit buffelhoorn, rechthoekig, de tanden aan de kanten stomp, in het midden aangepunt; beschadigd. Gorontalo. L. 16,5, br. 3,3 cM.

43/99. Oorknop7) (Jali), van hout, schijfvormig, de buitenzijde met een cirkel in het midden en driehoeken langs den omtrek, van paarlemoer. Aan de achterzijde een houten pennetje. — Gekocht in het dorp Tamasa. Gorontalo.

Dm. 2,9 cM.

43/93. Halsband (tehoea), van vijf strengen kleine veelkleurige (witte, zwarte, licht- en donkerroode, blauwe, gele en grijze) kralen en vruchtpitten. Aan de eene zijde komen de vijf strengen samen en vormen daar vierkanten en sterren. — Voor kinderen en jonge meisjes. Gorontalo.

L. 36 cM.

43/94. Als voren (tehoed), doch van negen strengen kleine veelkleurige (gele, roode, zwarte, witte en groene) en enkele grootere tonvormige roode, groene, vergulde en ongekleurde kralen en groepen kruidnagels. Gorontalo.

L. 38 cM.

1) Cat. Bat Gen. p. 170, n° 2790.

2) Schwarz, Tont. Wdb. 451, s. v.

3) Vgl. Loebèr, Buil. Kol. Mus. n° 51, pl. XI.

4) Literatuur: Sarasin, o. c. I, 50. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 1—6. — Graafland, I, 167—168. — von Rosenberg, Reistogten, 30. — Riedel, De Minahassa in 1825 (T. I. T. L. Vk. XVIH), 492—493. — van Doren, Fragmenten, I, 253—254. — van Spreeuwenberg (7*. N. I. VII, 4), 312—315. — Kaudern, I Celebes obygder, I, p. 88, plaat: ung mongondouflicka, p. 105; bild 35: ung mongondoukvinna, p. 116. — Riedel, Het landschap Boeooi (T. I. T. L. Vk. XVIII), p. 199—200.

5) Vgl. Meyer und Richter, o. c, pl. IX, fig. 1.

6) Schröder, Gor. Wdl. 106, s. v. kam.

7) Vgl. over oorsieraden in de Minahassa: Graafland, o. c. II, p. XC1II—XCIV.

Sluiten