Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43/120—i2i. Armbanden (paleda1), als voren, doch van geelkoper, de buitenzijde met insnijdingen (121) of met bladranken en reliëf (120) versierd; de uiteinden elkaar rakend. — Door vrouwen en meisjes om den pols gedragen. Gorontalo.

Dm. 5,5 en 6, d. 0,8 en 0,5 cM.

43/102. Koord (taodo), van Europeesch rood garen vischgraatvormig gevlochten, de uiteinden dunner en met veelkleurig garen omwonden, tusschen verdikkingen. — Dient om de broek om het middel vast te snoeren. Gorontalo.

L. 150, br. 0,9 cM.

43/103. Als voren, doch van wit katoen, de uiteinden geborduurd met oranje ruiten en roode, groene en zwarte driehoeken, versierd met lovertjes en gouddraad, de franje van rood garen. Gorontalo.

L. 160, br. 2 cM.

1565/4*). Gordelplaat, puntig ovaal, van geelkoper, de voorzijde met lak (gala) gevuld, geheel bedekt met gestileerde Arabische karakters, waarschijnlijk de Moslimsche geloofsbelijdenis: *UI iA-*-^ M "ÜS *Jl "ï. Aan de binnenzijde in het

midden een verhoogde rand, om den gordel onder te schuiven. Gorontalo (?).

L. 21,8, br. 11 cM.

Zie plaat II, fig. 7.

II. Kleeding3).

a. Hoofdbedekking.

776/10. Hoed (ondoeo, locaal-Maleisch toloe4), rond, puntig oploopend, van aaneengenaaide, breede «/«r-bladreepen vervaardigd, met randhoepel van bamboe, van binnen en buiten met rotanreepen bevestigd en met breeden hoofdring van palmblad in het midden der binnenzijde. — Op het veld bij regen gedragen. Gorontalo.

Dm. 37, h. 18 cM.

43/104. Als voren (wandoea), als voren, van aaneengenaaide «7ar-bladreepen, doch minder puntig oploopend. Om den rand een door rotanreepen bevestigde bamboereep. — Voor mannen en vrouwen. Gorontalo.

Dm. 40, h. 11 cM.

1647/1202. Als voren (ivontoewo6), van straalsgewijze over elkaar gelegde, iri cirkelvormige gangen met geelgrijs garen aan elkaar genaaide nipan-bladreeven, schotelvormig. De randhoepel van binnen en buiten van bamboe, met bruine plantenvezels vastgemaakt, die een oogje vormen. Hooge hoofdring van «t/aA-bladreepen. — Komt overeen met de Javaansche tjapil. Limbotto, Gorontalo.

H. 9, dm. 37,5, dm. hoofdring 17 cM.

776/11. Als voren (ondoeo), doch plat bolvormig; van eene dubbele laag bladreepen vervaardigd, de binnenste ongekleurd, de buitenste in twee zwarte en twee roode vakken (waarvan één gebatikt) verdeeld. Boven den, afwisselend met zwarte of roode bladreepen omwoelden randhoepel een biesje van zwarte en ongekleurde bladreepen. — In de negari gedragen. Gorontalo.

Dm. 33,5 X 37, h- 16,5 cM.

43/109. Als voren, doch flauw kegelvormig, de buitenzijde oranje, de bol rood gekleurd en met was bewerkt4). De laatste begrensd door een met rood katoen over-

1) Schröder, Gor. Wdl. 1. c.

2) Serie 1565 don. E. Jacobson, 1906.

3) Graafland, De Minahassa, I, 167—169. — M. N. Z. G. XXII, 248—255. — Meyer und Richter, 1—6. — Riedel, T. f. T. L. Vk. XVIII, 492—493.

4) Graafland, o. c. I, 168, 345. — Kaudern, o. c, I, 95.

5) Jasper, Vlechtwerk, 94.

6) Vgl. Loebèr, Bladwerk, pl. XIV, fig. 1.

Sluiten