Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16/100. Hoed, als voren, kegelvormig, doch van vier driehoekige stukken bladscheede, die aan den top samenkomen. De rand gevormd door een groot aantal rotanreepen, door dwarsreepen doorvlochten. Op den bol een stompe knop, met idjoek omwonden en lusvormig uitloopend. Aan de binnenzijde ter versterking vier latjes die in het midden in een schijf uidoopen. Hoofdring van bladscheede. Menado.

L. 18, dm. 42 cM.

848/21 M. Als vorenj doch met ronden platten bol en breeden rand, van fijne ongekleurde reepen, over straalsgewijs van het middelpunt uitgaande rotanreepen rondgaand gevlochten» Gorontalo.

H. 12, dm. 41, dm. bol 18 cM.

776/26* Kinderhoed, als voren, doch van ongekleurde en zwarte arèn-vezeh in een zigzagvormig patroon rondgaand gevlochten. Gorontalo. H. 9,5, dm. 40, dm. bol 60 cM.

308/6. Hoed, van zigzagvormig gevlochten lontarbladreepen, plat bolvormig; de binnenzijde en hoofdring met wit katoen gevoerd, de rand met zwart katoen omboord. Menado fj).

H. 7, dm. 36,5 cM.

I99l1*), 3°o/«58 en 435/34,)- Als voren (wonloeo*) of toloe), doch plat ovaal, van fijne ongekleurde (1 en 1258) of ongekleurde en roode (34) rotanreepen rondgaand gevlochten. Bij n° 1258 zijn aan de buitenzijde door wijziging in het vlechtwerk zigzagstrepen en ruitjes en op den bol een achtstralige ster gevormd. Zonder hoofdring en met gevoerd. — Veelal door vrouwen bij den veldarbeid gedragen. 1 en 34: N., 1258: Gorontalo.

H. 11, 11,5 en 14,5, 3', 3' en 35,5, br. 23, 25 en 20 cM.

695/16. Als voren, doch half-bolvormig, zigzagvormig van palmbladreepen gevlochten. De binnenzijde rood gekleurd, de buitenzijde en de rand verguld en door groepen van drie elkaar kruisende zwarte lijnen in vierhoeken en driehoeken verdeeld. Minahassa.

H. 10, dm. 34,5 cM.

61/27 6)- Als voren, bolvormig, van palmbladreepen zigzagvormig gevlochten, doch de binnenzijde roodbruin gekleurd, de buitenzijde bruin verlakt en versierd met rijen ruiten, sterren en hanen. Langs den rand, die verguld is, eene rij driehoeken. N.(?).

H. 15, dm. 33,5 cM.

1647/1200. Muts (oepia*), van zeer fijne, ongekleurde «/«r-bladreepen (Corypha umbraculifera) om straalsgewijze geplaatste reepen gevlochten, die naar onderen in aantal toenemen. Het onderste gedeelte cylindervormig, bovenaan kegelvormig; om de randen van het onderste deel en den top eenige rijen zwart gemaakte reepen. Limbotto (Gorontalo).

H. 9,5, dm. 14 cM.

776/9. Als voren, doch cylindervormig, met eene ringvormige reeks van zwarte ornamenten in den vorm van gehalveerde Andreaskruisen om den bol en aan den boven- en benedenrand. — Door de mindere dorpsgeestelijken (kasisii) gedragen. Gorontalo.

H. 8, dm. 14 cM.

x) Serie 848 don. G. Hemmes, 1891.

2) Serie 199 don. J. J. Korndörffer, Maart 1878.

3) N. St. Crt. van 10/11 Aug. 1884, n* 187.

4) Jasper, Vlechtwerk, 94.

5) Serie 61 leg. Prof. C. Blume, 1865.

6) Jasper, Vlechtwerk, 94.

7) Von Rosenberg, Reistogten, 22.

Sluiten