Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

370/20371). Muts, van bruine boomschors*), waardoor op zijde een touw geregen is, van boven met rotanreepen omwonden. Menado. H. 20, br. 27 cM.

1220/4*). Als voren, van geklopte bruine lahendong *)-schors, doch van boven open, plat, trapeziumvormig, de onderrand met een strook rood en wit katoen omboord. — Dergelijke mutsen worden gedragen in de Minahassa en Bolaang-Mongondou. Soms worden zij van geweven stoffen gemaakt. In 1893 vervaardigd in Kawangkoan (Minahassa).

H. 30, br. 17,5—a&i2 c**«

308/8. Hoofddoek, van bruine boomschors, met witte draden doornaaid. N.(?). Dm. 18 X 26 cM.

43/82. Als voren (siga), doch rood gekleurd, behalve een breede gele en twee smallere witte, door zwarte lijnen begrensde banden, die concentrische vierkanten vormen. In den gelen band roode cirkels, door zwarte stippen omgeven. Gorontalo.

L. 76, br. 74 cM. • ^,ir

43/88. Als voren (pajoengd'), doch van Europeesch katoen geweven. Het midden rood en oranje geruit, de hoeken blauw met witte streepen en het midden der zijden rood en geel gestreept met witte dwarsstrepen. Gorontalo.

L. 70, br. 65 cM.

43/89. Als voren (pajoengS), doch rood, het midden zwart geruit, het midden van twee zijden zwart gestreept met witte dwarsstrepen, dat der beide andere zijden oranje en zwart gestreept. Twee hoeken met ruiten van onecht gouddraad doorwerkt en bovendien de zwarte lijnen met gouddraad doorstikt — Voor personen uit den hoogsten stand. Parigi.

L. 73, br. 70 cM.

43/125. Als voren (pajoengd), doch met sagowater geglansd, het midden rood en oranje geruit, twee zijden paars en de beide andere donkerrood met oranje en lichtroode dwarslijnen. De hoeken blauw, twee tegenover elkaar liggende versierd met sterren en driehoeken van zilverdraad. Gorontalo.

L. 70, br. 69 cM.

776/1. Als voren8) (pajoengS), doch groen, met smalle oranje lijnen geruit en met rooden rand; evenwijdig aan den rand vier groepen, ieder van drie lijnen, gouddraad ingeweven. — Doeken van deze soort worden in onderscheidene kleuren gedragen; een witte hoofddoek is het teeken van rouw. Gorontalo.

L. 93,5, br. 90 cM.

300/1327. Als voren, doch dicht gebonden, van paars katoen, versierd met strepen, zigzagstrepen, ruiten en sterren van zilverdraad. Gorontalo. L. en br. 74 cM.

b. Baadjes.

1220/2. Baadje, van bruine lahendong-schoK7), zonder mouwen, van voren open, de halsopening met zwart katoen omzoomd. — Een meer eenvoudige vorm is

1) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 9* kl. n° 154/2.

2) Vgl. M. N. Z. G. XXII, 286—287: paforongïn.

3) Serie 1220 don. J. W. Post, 1899.

4) graafland, De Minahassa, I, 135, 167, 168, 319.

5) Schröder, Gor. Wdl. 101, s. v. hoofddoek.

6) Zie betreffende de wijze van dien doek op te binden: von Rosenberg, Der Mal. Archipel, 232.

7) Kaudern, o. c. II, 46, bild 20: Basttygströjor fr&n Minahassa. — Riedel, T. I. T. L. Vk. XVIII, 492.

Sluiten