Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een lap, die over de schouders naar voren en achteren afhangt, met een gat waardoor het hoofd wordt gestoken. Kawangkoan (Minahassa). L. 75, br. 75 cM.

16/398 en 308/7. Baadjes, als voren, doch bestaande uit een, naar voren en achteren afhangende lap i), de hoofdopening bij n° 7 met wit, de borstopening met wit en rood gebloemd katoen omboord, van onderen breeder uitloopend. n- N.f?i 398: Menado. v "

L. 71 en 79, br. 39 en 44 cM.

43/74- V rouwen baad je (pangka ilia depd), van witte boomschors, met korte mouwen, van voren gesloten, met kleine borstopening. — Dagelijksche dracht aan de Z. O. kust der Tomini-bocht. Gorontalo.

L. 93, br. 58 cM.

370/2040*) en 1456/138. Baadjes (karai papajarïn*), van lichtgele geklopte boomschors, waann eene ronde halsopening met borstsplit, die bij n» 138 met wit katoen, waarop roode sterren met zwarte kern, omboord is. Bestaande uit een enkelen, rechthoekigen lap, over de schouders omgevouwen. Bij n» 138 een lange reep van dezelfde stof als gordel. — Oude kleeding, nu nog zelden in afgelegen streken bij den veldarbeid in gebruik. 2040: Menado, 138: Lilang (Minahassa). L. 87 en 102, br. 54 en 49, 1. gordel 200, br. 6 cM.

370/239 *). Baadje, als voren, van witte boomschors, doch van voren geheel open zonder mouwen, niet omboord. Menado. '

L. 75, br. 58 cM.

16/92. Als voren, doch van geelachtig wit, grof katoen geweven, met lange mouwen. Van voren gesloten, met kleine halsopening. Menado. L. 110, br. 53 cM.

16/93. Als voren, doch van bruin katoen met groepen van afwisselend een en drie horizontale witte strepen. Menado. L. 113, br. 49,5 cM.

776/4. Als voren (63S6), doch van rood, oranje geruit katoen. Aan de linkerborst een zakje, welks bovenrand, evenals de hals- en borstopening, met eene smalle strook' groene zijde, die door bestiksels met gouddraad wordt gevolgd, is omboord. — Wordt zoowel door mannen als door vrouwen gedragen. Gorontalo.

L. 69,5, br. 63, 1. mouwen 43 cM.

c Slendang's.

300/1321. Slendang, van zwart neteldoek met roode sterren en smalle, roode en oranje strepen langs de lange zijden. Aan de uiteinden een breede dubbele, roode en oranje streep, gevolgd door een rij veelkleurige (roode, groene, gele, oranje, witte) driehoeken en een rij sterren, gescheiden door veelkleurige lijnen. Menado.

L. 152, br. 65 cM.

1) Meyer und Richter, Celebes, I, pag. 3, afb. 2.

2) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 9e kl. n° 254/2.

3) Meyer und Richter, Celebes, L, p. 2, n» 297 en p. 3, afb. 2. — M. N. Z. G. XXII 249- — sarasin, Reisen in Celebes, I, 49, 50, fig. 21. — Schwarz, Tont. Wdb. 97, s. v. karai en p. 297, s. v. pajar: „wapperen, uithangen".

4) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, c* kl. n" 254/2.

5) Schröder, Gor. Wdl. 24, s. v. baadje.

Sluiten