Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43/84. Slendang (olimokoero), als voren, doch van rood neteldoek, de korte zijden met een witten draad en een band gouddraad doorweven. Gorontalo. L. 192, br. 49,5 cM.

776/8. Als voren (olimomo), van rood neteldoek, doch geheel met sterren van gouddraad doorweven. Wordt, overlangs in tweeën gevouwen, door de vrouwen voor de borst gehangen en achter aan den hals met een gewonen knoop vastgemaakt. Gorontalo.

L. 154, br. 53,5 cM.

d. Lendengordels.

360/52721) en 1220/1 & 3. Gordels (lawin*) van geklopte bruine lahendongschors. — Wordt om de schaamdeelen en boven de heupen om het lichaam gebonden, zoodat een uiteinde van af den buik tot aan de knieën neerhangt. De tjidako is soms het eenige kleedingstuk, doch wordt ook soms met een kabaja en muts gedragen. 5272: N., 1 en 3: Kawangkoan (Minahassa).

L. 468, 224 en 169, br. 25, 30,5 en 21 cM.

e. Broeken.

16/94. Broek, van geelbruin en wit gestreept katoen, met lange pijpen; in het midden van den bovenrand eene insnijding. Menado. L. 113,5, br- 38 cM-

16/291. Als voren, doch van rood gestreept katoen, zonder insnijding in den bovenrand. Menado. L. 93, br. 57 cM.

776/2. Als voren (talala haja-haja*), doch van scharlakenrood, zwart geruit katoen, met een geel Andreaskruis in het midden van ieder vierkant. De bovenrand en de opening der pijpen met wit katoen gevoerd. Gorontalo.

L. 92, br. 49 cM.

776/3. Als voren (talala manelo), doch met korte pijpen, met groepen van blauwe en oranje loodrechte lijnen, op regelmatige afstanden op scharlakenrooden grond. Nabij het ondereinde der pijpen eene witte dwarslijn in kettingsteken gevormd. — Deze broek, die alleen den buik bedekt en wier pijpen boven de knieën eindigen, was vroeger de gewone dracht der mindere klasse. Sinds het Radja-bestuur in Gorontalo afgeschaft is, houdt men zich echter niet meer streng aan deze adat. Gorontalo.

L. 46, br. 48,5 cM.

43/124. Als voren (talala kalele), met korte pijpen, doch met groepen van enkele witte en dubbele zwarte verticale lijnen op rooden grond. Gedeeltelijk van Europeesch, gedeeltelijk van inlandsch garen. De pijpen en een poortvormig stuk in het midden van den bovenrand met rood katoen omboord. Boven den onderrand der pijpen een witte streep, als voren. — Gewone dracht der mannen. Gorontalo.

L. 44, br. 45 cM.

308/11. Als voren, doch van paars katoen met zwarte strepen. Het bovengedeelte met enkele strepen van gouddraad en de pijpen en zakken met een breeden rand van gouddraadversiering. De bovenrand van binnen met gebloemd katoen gevoerd. Door den bovenrand is een trekband geregen. Menado (?)

L. 40, br. 33 cM.

1) Serie 360 Kab. v. Zeldz. 1883.

2) Graafland, De Minahassa, I, 135, 167, 168, 319. — Schwarz, Tont. Wdb. 221, s. v.

3) Schröder, Gor. Wdl. 65, s. v. „broek": „Mocht vroeger alleen door orang htriangsa gebruikt worden."

Sluiten