Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cylindervormig, van smallere reepen gevlochten (133); daaronder zes zigzagvormige reepen, beneden samenkomend in een vierkanten bodem met naar onderen uitstekende punten. Bwool.

L. 67 en 61, dm. 10 en 8,5 cM.

43/72. Waterschepper (omboeld), van het blad van den woka-palm (Livistona rotundifolia Mart.1), met een gevlochten handvat van bladreepen op het verdikte dwarsstuk in het midden van den bovenrand. Kwandang, Gorontalo.

H. 24,5, 1. 28, br. 13 cM.

43/64. Touw (hoeloetoé), gevlochten van den bast der kokosnoot. — Voor huiselijk gebruik. Gorontalo.

GROEP IV.

Jacht en vischvangst2). I. Jacht

43/5 6. Blaasroeren (indoepo*), van bamboe, met hoornen mondstuk en twee

platte, bij n° 6 naar binnen gekrulde uitsteeksels aan het ondereinde*), die door omwinding met twee rotanbanden aan het blaasroer bevestigd zijn, beide van hoorn. Hierbij behooren twee pijlkokers (palidoe*) van bamboe, die op vijf plaatsen door omwinding met, bij n° 6 diagonaal gevlochten rotanreepen aan elkaar en aan een gevorkten boomtak bevestigd zijn, beide met cylindervormig deksel. De langste koker gevuld met een aantal pijltjes (walao*), uit de houtachtige vezels van de bladscheede van den seho-paha. (Arenga saccharifera). Aan het achtereinde bij vele een stukje torhout (Alstonia Scholaris). De meeste pijltjes van n° 5 met punt van bamboe met twee weerhaken, sommige met slechts een of zonder weerhaak. In den kleinsten koker bij n° 6 een stuk to<w<r-hout, bij n° 5 een beenen priem, aan beide zijden getand, een houten priem, om de dopjes der pijlen te maken en een mesje met gebogen tweesnijdend lemmet en cylindervormige houten greep, van onderen met rotan omwoeld en van boven verdikt. — Dit oorspronkelijk wapen is alleen in gebruik bij de stranden bergbewoners inden N.W. hoek der Tomini-bocht (Mooeton) van Pagoeat tot Parigi.

L. blaasroeren 189 en 145, dm. 2,3 en 2,5, 1. pijlkokers 27,5—31 en 26—34,5, dm- 4,5—5 en 6,1—6,2, 1. pijlen 26, L priemen 13,5 en 18 cM.

1456/141. Jachtspeer (wëngkow*), de ijzeren punt ovaal met flauwen middenrug aan weerszijden; in doorsnede ruitvormige dikke steel. Schacht van een dikken, krommen tak met kleinen ijzeren steelring. Toumboeloe's, Tomohon.

L. pont 30, br. 5, 1. schacht 187, dm. 3,5 cM.

II. Vischvangst.

1456/137. Vischlans (sarompo% de punt driedeelig, flauw naar elkaar gebogen

1) de Clercq, p. 270, n° 2089.

2) Literatuur: Graafland, II, 277. — Meyer und Richter, Celebes, I, 18—21 en 50—52 met pl. V en XIII. — von Rosenberg, Reistogten, 68. — Kaudern, I, 120, bild 41. — Riedel, T. I. T. L. Vk. XVIII, 201, 503, 546.

3) Schröder, Gor. Wdl. 56, s. v. „blaaspijp".

41 Vgl. Adriani en Kruyt, De Barie spr. Tor. II, 363, afb..

5) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 18, n» 269 met pl. V, fig. 3. — Schwarz, Tont. Wdb. 595, s. v. vjëngkow.

6) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 50, n« 274 met pl. XIII, fig. 2. — Vgl. Af. N~. Z. G. XLI, 16 met pl. I, fig. d.

Sluiten