Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

net boven- en ondereinde een, van ro^reepjn gew^

L. 86,5, br. 14—23,5 cM'

c nraaatn^^tel als voreni), doch het geraamte bestaat uit twee dikke

zijde rondloopt. Boladng Mongondou. L. 102, br. 17—26 cM.

43/71 Rijzweep van ineengevlochten rotanreepen, van boven lusvormig,

naar ónderen smaller wordend. Kwandang, Gorontalo. L. ioo, dm. ± 1,2 cM.

776/22») Toom (wangodoe), van rotanreepen gedraaid touw met daaraan bevestigd' iunner touw van denzelfden aard, dat door den ruiter in de hand wordt geEden^S paard, als hij er af mocht vallen, niet door kan gaan. Gorontalo.

L. 74 cM.

,,fi/,i Zadelkussen (doeloe% van grof zaklinnen, met kapok gevuld. — Wordt ont bét zadel gelegl Bevestigd worden de zadels slechts met een stuk gespleten . Sï iij 4«^ vin buïksingel, waardoor bijna alle paarden met groote wonden in den rug rondloopen. Gorontalo.

L. 49, br. 37 cM.

uï6/„0 Als voren») van grof zaklinnen, met boomwol (?) gevuld; rechthoekig, over de lengte in tweeën gedeeld, zoodat twee samenhangende, ieder^ afzonderlijk geeldekussetontstaan rijm Op he't platte middengedeelte doornaaid met grof, gnjs garen.

L. 41, br. 29 cM.

Zadel bestaande uit twee aan elkaar verbonden kussens, met lappen grijs, blauw roSlórane kaïen bekleed, naar de achterzijde verbreed, v^r en ach er aan de onderzijde met een verdikten rol, en daarover een grijs touw; aan de voorzijde daar onder bovendien een ovale lap leder, aan de achterzijde in het midden een geelkoperen ring, waaraan een staartriem van in elkaar gedraaide rotanvezels. Aan het Sen vaneen der lange zijden een geelkoperen ring, aan de andere een gevlochten band van touw, waaraan een langere van gevlochten rotan. Gorontalo.

L. 42, br. 20—36 cM.

776/18 «) Kort zadel (wapidoe limboe-limboei), van bundels/a^^bladeren, wier einden met dikke rollen van dezelfde bladeren zijn verbonden, vervaardigd en geheel met zaklinnen overtrokken. Gorontalo.

L. 41,5, br. 23,5—36,5 cM.

1) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 3°, n° 29, vgl- P1- VIU, fi«- I2-

2) Schröder, Gor. Wdl. 171, s. v. „zweep".

3) van Hoêvell, Bet paard in de Gorontalosthe landschappen (/. A. f. E. XVI1J, p. l»o,atD.

4) van Hoêvell, I. A. f. E. XVII, 181.

5) Vgl. Meyer und Richter, Celehes, I, p. 39, n0 60. y

6) Schröder, Gor. Wdl., 169, s. v. „zadel" en 112, s. v. „kort .

7) van Hoêvell, /. A. f. E. XVII, 180 met pl. XL, fig. 1—2.

Sluiten