Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opening; een defecte plaats met rotanreepen hersteld. Aan de voorzijde open, inden hals achteraan een halfcirkelvormig uitsteeksel. Oud stuk. Minahassa. H. 63, br. tusschen de schouders 35 cM.

IV. Eereteekenen.

620/21). Stuk schedelhuid met haren, van een, in de bosschen tusschen Likoepang en Kenia in April 1856 gedooden zeeroover van Magindanao. Minahassa. L. 9, br. 4 cM.

620/3*). Haarbosjes, van gesnelde koppen, ter versiering van het gevest van zwaarden dienende, aan rotanstaafjes, met rotanreepjes omvlochten, twee aan houten klosjes bevestigd. — Deze drie voorwerpen zijn het eenige, wat in die streek nog van den eigenaardigen beschavingstoestand is overgebleven. Thans is de inlandsche maatschappij op Europeeschen voet ingericht. Minahassa.

L. ± 38—51 cM.

GROEP X.

Staat en maatschappij. I. Staatsie- en bruidskleeding3).

90574. Hoofddeksel van lieden, die de kabïsaran vormen (sapeo e opas*), bestaande uit een breede, ringvormig samengebogen strook schors, die omkleed is met rood katoen, waarop trapvormige uitknipsels van wit en blauw papier zijn vastgenaaid, terwijl een aantal rechtopstaande bosjes van hanen- en kippenvederen aan den binnenkant van den ring met hunne stelen zijn bevestigd. Met kinband van rood katoen. Minahassa.

H. ring 9,5, dm. 17 X '9 eM-

776/31. Buikband (taato6), een reep geel flanel, welks beide einden tot lussen zijn gefatsoeneerd. De eene zijde met roode, gebloemde zijde overtrokken. Aan beide zijden is van loovertjés en zilverdraad eene soort van guirlande gevormd. — Hiermede wordt de korte broek eener aanzienlijke bruid onder den sarong bevestigd; voor het losmaken daarvan moet nog extra worden betaald. Gorontalo.

L. 119,5, br. 2,3 cM.

43/48. Waaier (prijaboe), van boomschors, eenigszins hartvormig, met rand van rotan (?), in een houten steel gestoken, met eiwit bestreken, beide zijden versierd met

1) Serie 620 don. H. J. Tendeloo, Juli 1887.

2) N. St. Crt. v. 23 Jan. 1889, n° 19.

3) Graafland, De Minahassa, I, 466—469, II, appendix, p. XCIV—XCVI. — van Doren, II, 131—134. — van Spreeuwenberg (T. N. I. VII, 4), 313, 324—327. — Riedel, Alte Gebranche bei Heirathen u. s. w. (I. A. f. E. VIII, 89—94). — Pandecten van het addtrecht, VII, p. ui—119, n° 227—232, p. 227—230, n° 390—396, p. 253—255, n° 437—441, p. 346—354, n° 746—767, p. 421, n° 969—970, p. 453—457, p. 501 met noot 51, p. 504—506, 516—522, P- 545- — Riedel, T. I. T. L. Vh. XVIII, 203—205. — Kruyt, M. N. Z. G. XL, 283—285.

4) Sapeo = „hoed", e — Gen. plur. van het lidwoord, opas = „de lieden, die den verplichten optocht, tot begeleiding van hooge ambtenaren (kabïsaran) uitmaken" (Schwarz, Tont. Wdb. 414, s. v. sapeo en 294, s. v. opas). — Vgl. over kabïsaran: Graafland, o. c. I, 134—135. — van der Crab, De Moluksche eilanden, 332.

5) Schröder, Gor. Wdl. 28, s. v. „band".

Sluiten