Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP XI.

Kunst en kunstnijverheid. Spelen').

I. Muziekinstrumenten.

43/45 en 300/1570. Handtrommen (labauan*), van geel-(45) of roodbruin (1570) hout, de eene zijde open, de andere met geitenvel (45) of ossenhuid (1570) overtrokken, door rotanreepen in de gaten van een, aan den ketel aangesneden ring aangespannen. — Het instrument wordt met de handen bespeeld. Gorontalo.

Dm. 27 en 41,5, h. 7 en 9 cM.

1926/7. Mondharp (pare*), op een stemvork gelijkend, de tong onversierd; het gedeelte, dat als handvat dient, ondiep ingesneden. Toli-toli. L. 76, br. 4,2 cM.

57/31. Snaarinstrument, bestaande uit een plat houten latje, met ronde uitsteeksels aan de beide uiteinden. In een der einden zijn twee opstaande stokjes gestoken, waaraan een geelkoperen snaar bevestigd is, wier andere einde aan het uitsteeksel van het andere einde verbonden is. Ongeveer in het midden een kam van bamboe, die aan een halven klapperdop bevestigd is. Menado. (?)

L. 38, dm. klapperdop 11 cM.

1926/1. Snaarinstrument (santoeng), met vier snaren, wier uiteinden met een band diagonaal vlechtwerk omwonden zijn. Toli-toli. L. 75, dm. 7,5 cM.

1926/2. Viool, de vorm geheel Europeesch, van geelbruin hout, de zijden van de klankkist van schildpad. De beide stemschroeven van zwart hout. Zonder snaren. Het boveneinde van den hals spiraalvormig omgekruld. Zonder strijkstok. Toli-toli.

L. 62,5 br. 22 cM.

1926/4. Als voren (geso-geso), doch de klankkist bestaat uit een halven klapperdop *), waardoor een, in doorsnede achtkantige stok als hals gestoken is. Het boveneinde in den vorm van een dierenkop, met bladkrulvormig snijwerk versierd, het ondereinde plat en eenigszins bladvormig uitgesneden. Hierbij een strijkstok van donkerbruin hout, achthoekig in doorsnede, eenigszins gebogen, het eene uiteinde plat en rond, het andere afgebroken. Toli-toli.

L. 83, dm. 17 cM.

776/23. Viool (alababoe), met twee snaren van ijzerdraad; de klankkist uit een gehalveerden klapperdop bestaande, waarin drie gaatjes zijn geboord en die met eene dierenblaas is bespannen, Hals en voet van roodbruin hout, de laatste met eene lijstvormige, tweemaal doorboorde verdikking op het midden der voorzijde, om er de snaren in te bevestigen. Het boveneinde van den, in doorsnede halfronden hals plat en bladvormig, met twee stemschroeven van wit hout, voor het spannen der snaren. Gorontalo.

L. 81,5, 1. hals 57,5, 1. voet 7,5, dm. klankkist 16,7 cM.

1) Meyer nnd Richter, Celebes, I, 21—23. — Schwarz in Af. N. Z. G. XXII, 264—268.— Graafland, De Afinakassa, I, 281—299, 356—357, II, 256. — Padtbrügge in B. T. L. Vk. 3e volgr. I, 327. — Reinwardt, Reis Ind. Archipel, 602. — Kaudern, II, 336—337 met bild I39—i4i-

2) Riedel in I. A. f. E. VIII, 90 met pl. X, fig. 7. — Kaudern, o. c. I, 97.

3) Meyer und Richter, Celebes, pl. XVII, fig. 4. — Kaudern, o. c. I, 97.

4) Adriani en Kruyt, De Barè'e-sprekende Toradja's, II, 383 met pl. muziek; geso-geso, onderste figuur. — Grubauer, p. 86, fig. 66.

Sluiten