Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP XII.

Godsdienst. Genees- en heelkunde1).

944/1. Wieg {toette3) voor de afplatting van hoofd en borst van kinderen, bestaande uit een rechthoekigen bak in den vorm van een bed, met over de uiteinden driehoekig vooruitstekende zijstukken en met, door een aantal bamboelatjes gevormden bodem. Het kind, dat hier door een houten blok voorgesteld is, wordt met behulp van stukjes boomschors, zacht hout en kussentjes op zijne plaats gehouden en daarin vastgebonden, totdat hoofd en borst den gewenschten vorm hebben verkregen. Op het voorhoofd wordt een plankje gebonden, dat totadilo en op de borst een plankje, dat dondo doedoeboe heet. Langs de zijden kussens (dondo goelimo), onder het hoofd een driehoekig stuk sagobast (tonda noeto), onder den nek een rond stuk gaba-gaba (timidb boemalano), onder de schouderbladen een driehoekig kussen (timido kokai akoe), dwars over de wieg, voor de voetenplank, een bamboekoker (takodong). Boeooi.

L. 124, br. 37, h. 23,5 cM.

1686/3. Zielenhuisje (walosong3), voor kinderen; van licht hout, het dak in doorsnede driehoekig met platten bovenrand, de zijgevels4) naar boven uitwijkend en met een plat, krulvormig uitsteeksel, dat in eene schijf eindigt. Het middengedeelte van de nok verhoogd. Het huisje rechthoekig met rechthoekige opening aan ééne zijde; hiervoor een rechthoekige uitbouw op balkjes, met verhoogden vloer en aan de voorzijde onderbroken wanden; op dien vloer twee banken') en een los tafeltje, alles wit gekalkt met zwarte randen en zwarte dwarsstrepen op het dak. Tombatoe, Tonsawang.

H. 40, br. dak 86, 1. huisje 35, diepte 21, 1. uitbouw 27, diepte 19, h. 12,5 cM.

1686/2. Als voren (walosong), doch de voor- en achterwand van het huis onderaan aan weerszijden driehoekig verlengd en in een schijf eindigend. Aan die wanden, die door twee latten versterkt zijn, aan het boveneinde aan weerszijden een uitsteeksel (tnafatoe peda), dat eenigszins een zwaardgreep nabootst. In den voorwand een halfcirkelvormige poort; daarvoor een rechthoekige uitbouw met verhoogden vloer met hooge zijwanden, waartegen banken, en met een lagen voorwand, waartegen een trap met twee treden. Het huis wit gekalkt met grijze of bruinzwarte randen en grijze dwarsstrepen over en roode, zwarte en witte') driehoeken op het dak; om de opening

1) Meyer und Richter, Celebes, I, 23—27, 33. — Idem, Bestattungsweisen (Ethn. Mis*. I), 89— 144. — Graafland, De Minahassa,!, 210,215—219,234,240—244,425,480—482,11,39,201.— T. N. I. 1849, II, 387—402. — van Doren II, p. 113—120 en p. 143—144. — van Spreeuwenberg (T. N. I. VII, 4), p. 322—323 en 328—333. — Med. Encycl. Bureau, afi. II, p. 91— 92. — Louwerier in M. N. Z. G. XLIII, 101—122. — Riedel, Alte GebrSuchc bei Heirathen, Geburt und Sterbefallen (I. A. ƒ. E. VIII, 94—109). — Kaudern, I Celebes obygder, I, 91 met bild 29 (p. 92), p. 107 met bild 36, p. 108, p. 139, bild 49, II, p. 325, bild 134. — Riedel, T. I. T. L. Vk. XVIII, 201, 205—207, 487—492, 508—511, 523—524.

2) van Hoêvell in I. A. f. E. VI, 190—197 met afb. p. 190. — Riedel, Het landschap Boeooi (T. I. T. L. Vk. XVIII), 196, 205. — Wilken, Het afplatten (T. I. T. L. Vk. XXI), 374—376. — Riedel, Ueber kunstlicht Verbildung des Kopfes (Zeitschr. f. Ethn. 1871), p. 110 —in met pl. V, fig. 1. — Meyer und Richter, Celebes, I, 45—46. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, 171.

3) Graafland, De Minahassa, II, 39. — de Clercq, Grafteekenen (T. I. T. L. Vk. XXI), 102—103. — Kaudern, o. c. I, 107, bild 36: kus f'ór de dödas andar.

4) Mafana volgens het inventarisstuk.

5) Deze zijn volgens het inventarisstuk bestemd voor de geesten.

6) Plaatsen, die rood geverfd zijn, zijn een teeken van de dapperheid, die de overledene bij zijn leven getoond heeft. Witte en zwarte kleuren zijn een teeken van de vreugde en smart, die hij bij zijn leven ondervonden heeft (volgens het inventarisstuk).

Sluiten