Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zwartbruine rand, daarboven een roode rechthoek en een door diagonalen in driehoeken verdeelde rechthoek, twee driehoeken evenzoo rood geverfd. Binnen het huisje een rechthoekig bankje en een tafel met rechthoekig blad, waarop een porseleinen schaaltje; hierop een zakje met «W^-benoodigdheden. Op den uitbouw een dergelijk bankje en een tafel met ovaal blad, dat wit gekalkt is met rooden rand; de opstaande rand van dat blad gedeeltelijk bruinzwart. — Wordt op de graven der overledenen geplaatst. Tombatoe, Tonsawang.

H. 86, 1. dak 133, br. huisje 65, diepte 30, br. uitbouw 46, diepte 33, h. vloer 13 cM.

1686/1. Lijkkist (waroega1), van kalksteen, in den vorm van een parallelopipedum, van onderen iets smaller, hol, de bodem dikker dan de wanden. Het deksel in doorsnede driehoekig met concaaf vóór- en achtervlak en driehoekige zijvlakken, aan alle zijden buiten de kist uitstekend. De breede vlakken vertoonen een ingebeiteld menschelijk figuur en reliëf met duidelijk hoofd, waarin neus, oogen en mond, wijd uitstaande beenen; op eene zijde heeft de figuur een geweer (?) in de opgeheven rechterhand, op de andere in de opgeheven rechterhand een zwaard en een gesnelden kop onder den linkerarm. De beide zijvlakken vertoonen eene driehoekige en daaronder eene trapeziumvormige indieping; langs den onderrand der beide andere zijden een breede, vertikale, vlakke band. — Afkomstig van den stam der Tomboeloe. Taratara, Minahassa.

H. kist 150, 1. en br. 75, h. deksel 91, br. lange zijden 116, h. band aan die zijden 16, grootste br. korte zijden 104 cM. Zie plaat X, fig. 1.

1361/1*). Als voren, van zandsteen, de kist rechthoekig, van boven breeder dan van onderen, het deksel dakvormig over de kist vooruitstekend, langs den rand eene ingesneden zigzaggroeve, voorts aan de eene zijde het hoofd van een man, bedekt met een helm, welks vorm op dien van een dragonderhelm gelijkt, en aan de tegenovergestelde zijde eveneens een menschenhoofd met oorlogshoofddeksel en lange haren. De zigzaggroeve wordt aan de vier zijden naar binnen gevolgd door een rechte groeve, terwijl aan de beide versierde vlakken bovendien de rand op eenigen afstand door eene groeve wordt gevolgd. Minahassa.

H. met deksel 111, dm. kist van boven 43,5 X 45,5, idem van onderen 38,5, h. kist 70, dm. deksel van onderen 54 X 55, dm. binnenruimte kist 34X35, idem deksel van binnen 27 X 3', diepte deksel 11, idem kist 62 cM. Zie plaat X, fig. 3 en 4.

905/9. Als voren, model, van zandsteen, rechthoekig, met over alle kanten vooruitstekend deksel in den vorm eener afgeknotte pyramide, die aan twee zijden met loodrechte en schuine, elkaar kruisende, flauwe groeven versierd is, terwijl de beide andere zijden concaaf zijn. Minahassa.

H. 16,6, h. kist 8,2, br. 5,2, 1. 5,5 cM.

43/83. Vrouwenkleedingstuk (plimokmó), om de borst te bedekken, van groen Europeesch gaas (pinang kosta) vervaardigd en met gouddraad doorweven. — Aldus bewerkt kan dit doek alleen door vrouwen uit den aanzienlijken stand gedragen worden. Bij overlijden van een voornaam persoon krijgt op de hoofdplaats Gorontalo

1) Graafland, De Minahassa, I, 480—481. — Meyer und Richter, Ethnogr. Mistellen I, 89—144 met pl. III, fig. 5—7. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, p. 10, fig. 4. — Schwarz, Tont. Wdb. 587, s. v. waruga. — Buddingh, Neerl. O. Indië, II, 51—52. — Vgl. over begrafenissen en graven: Riedel, De Minahassa in 1825 (T. I. T. L. Vk. XVHI), 508—511. — Louwerier, Over begrafenissen en gebruiken daaraan verbonden in de Minahassa (M. N. Z. G. XL1II, 101—122). — van Doren, Fragmenten, II, 116—117. — van Spreeuwenberg (T. N. I. VII, 4), 330, 332. — Riedel in I. A. f. E. VIII, 107 met pl. X, fig. 5. —Kaudern, 1,174 — 175 en bild 61, p. 177.

2) N. St. Crt. v. 24/25 Aug. 1902, n° 198. — Serie 1361 don. B. Erkelens, 1902.

Sluiten