Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder Europeesch ingezetene van eenigen rang een stukje van dit weefsel ten geschenke van de familie des overledenen als invitatie tot bijwoning van het lijkfeest. Gorontalo.

L. 140, br. 59 cM.

905/3. Hoed (tindoeng1), flauw puntig oploopend, rond, vervaardigd van aaneengenaaide «'/«^-bladreepen, met dikken, met katoen omwoelden randhoepel; van buiten roode en van binnen met elkaar afwisselende, straalsgewijze gerangschikte groepen van roode en zwarte of bruine reepen. Van buiten versierd met tot bloemen en sterren vereenigde iVawa-schelpen en langs den rand met een afhangende strook rood katoen, die eveneens met bloemvormige groepen van diezelfde schelpjes is versierd en waaraan een netwerk van veelkleurige kralensnoeren is bevestigd. Van binnen een met wit katoen omwoelde hoofdring. — Door eene priesteres gedragen, Bolaang Mongondou.

Dm. 45, h. 16,5 cM. Zie plaat IV, fig. 1.

454/10i). Als voren, doch de buitenzijde ongekleurd met door roode en zwarte reepen gevormde figuren in den vorm van dubbele, ineengekrulde spiralen. De oploopende punt oranje, groen en rood gekleurd, gedeeltelijk met mica bedekt en op eenige plaatsen met fijne rotanreepen in een patroon van kruisen en spiralen overvlochten. Ook de opstaande rand met zwarte en roode rotanreepen in ruitpatroon overvlochten. Hieraan is een netwerk van gele, groene, witte en roode kralen bevestigd. De binnenzijde van afwisselend ongekleurde, roode en zwarte breede bladreepen. De hoofdring van ongekleurde, roode en zwarte reepen in zigzagpatroon gevlochten, de rand met katoen bekleed. — Door priesters bij fosso's gebruikt. Minahassa.

Dm. 39,5, h. 12 cM.

905/18. Buikband (ikat poer oei) van eene priesteres, bestaande uit een strook bruine boomschors van binnen en rood katoen van buiten, wier uiteinden tot een bindtouw ineen zijn gewoeld. Van buiten bekleed met witte, roode, oranje, groene en zwarte kralen, waardoor een patroon van dwarse strepen en concentrische ruiten op witten grond gevormd is. Bolaang Mongondou.

L. 146, br. 7,3 cM.

454/19»). Armring*), van geelkoper, niet geheel gesloten, met eene ruitversiering en reliëf en rijen vooruitstekende punten langs de randen en in het midden der ruiten. — Door priesters bij het maken van fosso's gebruikt. Minahassa.

Dm. 7, h. 4 cM.

Zie plaat II, fig. 8.

1676/17. Armringen, een paar, van ivoor. De buitenzijde met twee ingesneden evenwijdige groefjes. — Van eene priesteres (walian). Zeldzaam. Kawangkoan, Minahassa.

H. 3,2, d. 1, dm. 7,8 cM.

905/6. Als voren, doch aan de buitenzijde zijn aan reepjes gebloemd katoen kleine geelkoperen en witmetalen en grootere bronzen schellen bevestigd5). — Van eene priesteres (walian). Kawangkoan, Minahassa.

Dm. 8,1—9, br. 2,7—2,8 cM.

1) M. N. Z. G. VI, pl. bij p. 89, fig. 8. — Schwarz, Ethnograph'ua uit dt Minahassa II. A. f. E. XVIII), 53.

2) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 13e kl. n« 92/m. — N. St. Crt. v. i Febr. 1885, n° 27.

3) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 13= kl. n» 92/i. — N. St. Crt. v. i Febr. 1885, n« 27.

4) M. N. Z. G. VI, pl. bij p. 87, fig. 10b.

5) Meyer und Richter, Cclebes, I, p. 24—25 met pl. IV, fig. 15.

Sluiten