Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1706/1. Top van een priesterstaf (sVka'd1), van brons, het ondereinde cylindervormig, het boveneinde uitloopend in een groot en daarboven twee kleinere menschenhoofden2), voorstellende den Schepper der Aarde (si Aj)o' Nimema' in Tana'). Toumbasian A/as, afd. Amoerang, res. Minahassa.

L. 13,5, br. 4,5 cM. Zie plaat X, figuur 2.

905/19. Katoenen pop, voorstellende eene priesteres*), met puntig oploopend hoofddeksel van aaneengenaaide palmbladreepen, de buitenzijde op eenige plaatsen met blauw, rood of gebloemd katoen, de punt bovendien met kralen versierd, de binnenzijde met rood katoen bekleed, terwijl aan den rand een netwerk van veelkleurige kralen bevestigd is (vgl. 905/3). Kabaja en sarong van gebloemd katoen, de laatste door een rooden gordel opgehouden. Om den hals verschillende veelkleurige kralensnoeren. Minahassa.

H. ± 51 cM.

1629/944). Offerpoppetjes, twee exemplaren, van hout, zeer grof gesneden, aan de onderzijde voorzien van een puntig bamboelatje; nog een lang puntig latje is bijgevoegd. — Deze poppetjes worden op een klapperdop, gevuld met gekleurde rijst geplaatst; dit geheele toestel dient, om de booze geesten er mede in zee te zenden, waartoe het een en ander in de rivier geplaatst wordt. Gorontalo.

H. 17 cM.

AANHANGSEL.

Sangir- en Talaut-eilanden GROEP I.

Spijs en drank. Opwekkende middelen8).

425/2—37). Lepels, uit een schelp (Turbo olearius) gesneden, n° 3 met twee inkepingen aan de zijden en breed uitloopend, n° 2 naar onderen langzamerhand breeder wordend. Sangir.

L. 11,3 en 15,4, br. 2,3 en 4 cM.

425/4—5. Als voren, doch uit klapperdop gesneden; bij n° 4 de steel aan weerszijden herhaaldelijk ingekeept en het blad breed, schotelvormig; n° 5 in vorm overeenkomend met n° 425/2. Sangir.

L. 11,9 en 13,4, br. 4,2 en 3,4 cM.

1926/7768). Mandje, van bamban9)-Teep&a, gedeeltelijk open gevlochten, de bui-

1) M. N. Z. G. VI, pl. naast p. 87, fig. 9. — Schwarz, Ethnographica uit de Minahassa (I. A. f. E. XVIII, 60—63). — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 24, fig. 7.

2) Het zinnebeeld der bekendheid met verleden en toekomst (Schwarz, Tont. Wdb. 421, s. v. sïkd'd).

3) Walian wewene (Riedel in I. A. f. E. VIII, 91 met pl. X, fig. 1). — Schwarz, Ethnographica uit de Minahassa (I. A. f. E. XVIII), 53.

. 4) Serie 1629 don. E. E. W. G. Schröder, Sept. 1907.

5) Literatuur: Med. Encycl. Bureau afl. II (1912) p. 1—82. — T. Binnenl. Best. XXII (1902) P- 434—437, t c. LUI (1917), p. 432,

6) Ind. Mag. i« twaalftal, n° 7—9, p. 20. — van Dinter (T. I. T. L. Vk. XLI), 339—341.

7) Serie 425 aankoop 15 Jan. 1884.

8) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 142, n° 6526.

9) Maranta dichotoma Wall. (de Clercq, p. 275, n° 2187).

Sluiten