Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82/11). Hoed*), spits toeloopend, van aaneengenaaide geel gekleurde lontarbladreepen. De buitenzijde door met rood katoen bekleede bamboelatjes in zes ruiten en zes driehoeken verdeeld, die begrensd worden door ongekleurde, met krulvormige zwarte figuren versierde en met mica belegde reepen. De rand van bamboe, met roode bladreepen overtrokken, waarboven twee smalle randen van ongekleurde, roode en zwarte reepen volgen, waarin een patroon van Andreaskruisen gevormd is. Op de punt een houten (?) klos, met katoen overtrokken en met kort afgeknipte witte, roode en blauwe franje versierd. De binnenzijde en de hoofdring met wit katoen overtrokken. Aan den laatste is een kinband van wit en rood gebloemd katoen bevestigd. Taboekang.

Dm. 34,5, h. 13 cM.

848/18*). Als voren, rond, puntig oploopend, doch vervaardigd van een dubbele laag/««<w«-bladreepen, van binnen ongekleurd en van buiten zwart. Op het midden der buitenzijde een met zwart katoen overtrokken ring van een reep riet, die aan weerszijden gevolgd wordt door een reeks van kruisen van smalle, ongekleurdepandanbladreepen en eene, uit roode kraaltjes bestaande golflijn; een tweede golflijn van roode kraaltjes volgt den rand, terwijl daarnaast een strook vlechtwerk van zwarte en ongekleurde reepen met rechthoekig patroon is bevestigd. Overigens is de buitenzijde versierd met een groot aantal kruisen, hartvormige en bladvormige figuren, van lichtblauwe kraaltjes gevormd. De binnenzijde en de hoofdring met wit katoen overtrokken, terwijl de rand van binnen wordt gevolgd door een strook zigzagvormig vlechtwerk van smalle zwarte en ongekleurde /««^«-bladreepen. Sangir.

Dm. 49, b. 16 cM.

1691/1*). Hoofddoek (lento kapala1), van zwart geverfd koffo-weefsel6). De randen omboord. Taboekang. Sangir. L. en br. 72 cM.

66/387). Mannenbaadje8), van &^-draden, uit het blad eener wilde pisangsoort geweven en met indigo zwart geverfd, met een flauw ruitpatroon. Van voren gesloten, met kleine halsopening en lange mouwen. — De meest gewone kleeding van den kleinen man. Tamako, Sangir.

L. 125, br. 50, 1. mouwen 48 cM.

1691/2. Als voren (lakoe manandoe9), doch van donkerblauwe kojb-vezélsgeweven. Met ronde halsopening en kleine borstspleet en lange mouwen. Taboekang, Sangir. L. 132, br. 55, 1. mouwen 50 cM.

1691/6. Als voren (lakoe manandoe19), doch van blauwgrijze, zijdeachtige koffo11)vezels geweven; lang, rechthoekig met lange mouwen, waaronder driehoekige inzetstukken. Rond uitgesneden halsopening en split aan de borst; op dit gedeelte en aan de openingen der mouwen het weefsel dubbel. Taboekang, Sangir.

L. 154, br. 60, 1. mouwen 60 cM.

1) Serie 82 don. J. Kneppelhout, Sept. 1867.

2) van Dinter, L c. 362.

3) Serie 848 don. g. Hemmes, Sept. 1891.

4) Serie 1691 don. e. w. w. g. schröder, April 1909.

5) van Dinter (T. I. T. L. Vk. XLI), 362. — Jasper, Weefkunst, 230.

6) Buil. KoL Mus. Haarlem, Maart 1895, n° I0- — Jasper, o. c. 293—300. — van Dinter (T. I. T. L. Vk. XLI), 340. — Frieswijk (7\ B. B. XXII), 435.

7) Serie 66 don. C. B. H. baron von Rosenberg, Juni 1866.

8) van Dinter, 1. c. 361. — Frieswijk, 1. c. 480.

9) Buil. Kol. Mus. Haarlem, n° 10 (Maart 1895). — M. Tonnet, Sangireesche kofo-weefsels, (Elsevier's Maandschr. 1906, II, 164—175 met pl. 2). — van Dinter, T. I. T. L. Vk. XLI, 362. — Frieswijk, T. B. B. XXII, 480.

10) Jasper, Weefkunst, 300. — van Dinter, 1. c. 362.

11) Buil. Kol. Mus. Haarlem, n° 10 (Maart 1895). — Jasper, o. c. 293—300.

Sluiten