Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2060/21). Kain, van ongekleurde én bruine koffo-vezels geweven. Patroon aan de eene zijde: twaalf bruine, overlangsche banen met ongekleurde kruisen2), onderling verbonden door vertikale streepjes. Aan de andere zijde afwisselend vierkanten en kruisen*), bruin op ongekleurden grond. langs de randen drie rijen blokjesfiguren. Sangir- en Talaut-eilanden.

L. 118, br. 27,5 cM.

2060/3. Als voren, doch de overlangsche randen rood gekleurd, het midden ongekleurd met bruine figuren: eene rij ruiten, gevuld met een ster, waarin een kruis als kern, in bet midden, en langs de randen twee zigzagstrepen en elkaar kruisende sleutelfiguren *), waaronder of boven een kruis. Ook in de roode banen langs de randen een maeander- of sleutelpatroon8). Sangir en Talaut-eihnden.

L. 150, br. 24,5 cM.

1676/144). Slendang, van donkerbruin katoen met vele roodbruine lijnen. Langs beide lange zijden een roodbruine rand, waarin lijnen van blauwe, witte en geelachtige draden. De buitenrand met roode, witte en zwarte kralen omboord. Beide uiteinden met eene versiering van zandloopervormige figuren en driehoeken van witte kralen en een breede, witte kralenrand aan den buitenkant boven de franje. Sangir.

L. 213, br. 70,5 cM.

1691/7. Broek, van grijsblauwe, zijdeachtige koffo6)-vezels geweven, met lange pijpen en driehoekige inzetstukken in het kruis. Bovenhand en onderrand der pijpen met smallen omslag. Taboekang, Sangir.

L. 104, br. 53 cM.

848/20. Stok, van zwart hout, met knop, die in den vorm van een, met een pet bedekt menschenhoófd uitgesneden is; de ooren zeer lang en groot, de neus, mond en oogen goed gevormd. Sangir.

L. 84, dm. boveneinde 3 cM.

1108/366. Dagelijksche kleeding van een Talaurees, bestaande uit een baadje en broek van wit katoen, het eerste met smal borstsplit, de laatste met korte pijpen. Talaut.

L. baadje 34,5, br. 33, 1. broek 30, br. 29 cM.

1108/3086). Pop, voorstellende een Talaurees in dagelijksche kleeding, bestaande uit een Europeeschen stroohoed en een lange, tot de voeten reikende kabaja met een lang borstsplit en een broek met lange pijpen, beide van zwart katoen. Talaut.

H. 67 cM.

1108/3107). Als voren, doch eene Talaureesche vrouw in dagelijksche kleeding voorstellende, bestaande uit eene, bijna tot de voeten reikende, kabaja van lichtblauw katoen met breed borstsplit en een, tot de borst opgetrokken rok van zwart katoen met blauwe en witte strepen. Talaut.

H. 63 cM.

1) Serie 2060 don. dr. Hartlieb, Sept. 1924.

2) Vgl. Jasper, Weefkunst, 299, afb. nalang wangi.

3) Vgl. Jasper, o. c. 298 met fig. 297: kakoensi tiwatoe.

4) 8erie 1676 aankoop Nov. 1908.

5) Bult. Kol. Mus. Haarlem, n° 10 (Maart 1895). — Jasper, Weefkunst, 293—300. — De Sangir-eilanden in 1825 (Ind. Magazijn, ie twaalftal, n° 7—9), p. 27.

6) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 77, n° 8. — Cat. Tent. Poppen Den Haag, p. 30.

7) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 77, n° 10. — Cat. Tent. Poppen Den Haag, p. 30.

Cat. Rijks-Ethn. Museum, Dl. XIX. 8

Sluiten