Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1108/3071). Pop, als voren, doch een Talaurees in deftige kleeding voorstellend, bestaande uit een hoofddoek van wit katoen met rooden en oranje rand, en een lange kabaja, bijna tot de voeten reikend, met klein borstsplit, en een lange, wijde broek, beide van geelachtig wit katoen. Op den linkerschouder een roode doek met witte strepen en cirkels. Talaut.

H. 64 cM.

1108/309 *). Als voren, doch eene Talaureesche vrouw in deftige kleeding voorstellend, bestaande uit een, bijna tot de voeten reikend baadje met borstsplit en een rok, beide van geelachtig wit katoen. Om de polsen een ring van schelp en in de rechterhand een dergelijke doek, als de man (n° 1108/307) op den schouder draagt. Talaut.

H. 63 cM.

groep m.

Bouwkunde en huisraad3).

130/10. Mat (sapie% van aaneengeregen rotan (Calamus littoraiuyxttoea,,delangszijden met een strook zigzagvormig vlechtwerk omzoomd, aan de breedtezijden een rotanlat, waardoor een groot aantal touwtjes geregen zijn. — Om op te zitten of te slapen. Sangir.

L. 195, br. 88 cM.

848/19. Als voren, doch diagonaal gevlochten van zwarte, roode, gele en ongekleurde /a«<&«-bladreepen, met elkander kruisende, breede strepen in de voormelde kleuren, tevens is een patroon van Andreaskruisen, alsmede langs den rand eene golflijn tusschen smallere en breedere, rechte lijnen gevormd. Sangir.

L. 180, br. 69 cM.

127/496). Als voren, doch uit de bladvezels (koffo) van de Musa paradisiaca geweven6). Door zwarte en roode vezels is een patroon gevormd van ruiten, gevuld met Andreaskruisen en maeanderfiguren, telkens een breede baan, aan weerszijden begrensd door twee smallere banen. Sangir.

L. 148, br. 80 cM.

82/2. Als voren, doch het ornament bestaat in de breede banen uit ruiten, gevuld met elkaar kruisende lijnen en Andreaskruisen, omgeven door rijen maeanderachtige en s-vormige figuren, in de smalle banen uit ruiten, die door de diagonalen in vier driehoeken verdeeld zijn. Taboekang, Sangir.

L. 467, br. 85 cM.

127/18. Als voren, doch van ongekleurde en zwarte koffo-vezels geweven, zoodat de geheele oppervlakte bedekt is met ruiten, gevuld met sterren en s-vormige figuren en omgeven door haakvormige figuren, verder zigzagbanden, gevuld met maeandervormige figuren en Andreaskruisen. Sangir.

L. 364, br. 74 cM. Zie plaat I, fig. 1.

1) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 77, n° 7. — Cat. Tent. Poppen Den Haag, p. 30.

2) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 77, n° 9- — Cat- Tmt- P°tPm Den HaaS-, P- 3°-

3) van Dinter (T. I. T. L. Vk. XLI), 358—361. — Med. Ene. Bur. afl. II (1912), p. 25— 26; — T. Binnenl. Best. XXII (1902), p. 479—480, LIII (1917), P- 414- — Adatrechtbundel,

4)' De 2Sangir-eilanden in 182S (Ind. Magazijn, i<= twaalftal, n» 7—9), p. 32, s. v. ükdr. — van Dinter, 1. c. 360.

5) Serie 127 don. C. B. H. baron von Rosznbrrg, Mei 1871.

6) Vgl. Meyer nnd Richter, Celebes, I, p. 126.

Sluiten