Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/577 x). Mand, van onderen vierkant, van boven rond. De bodem vangebangpalmbladreepen rechthoekig open gevlochten. De wand van bruine tamiang-baxahoereepen rondgaand over opstaande latten gevlochten. Aan den bovenrand een strook open diagonaal gevlochten reepen. Sangir.

H. 29, dm. 24 cM.

1926/831*). Als voren (hangobe*), doch rechthoekig, met overschuivend deksel, van sesak- of «Zzr-bladreepen volgens de dichte drierichtingsmethode (anjam gila) gevlochten. — Tot het bewaren van kleederen en sieraden. Sangir.

L. 27, br. 22,5, h. 9 cM.

130/3. Doos (kahoeboeng*), ovaal, met opschuivend deksel, van ongekleurde en roodbruine rotan (Calamus littoralis)Teeven volgens de eenvoudige omslingeringsmethode over horizontale hoepels gevlochten. De roodbruine reepen vormen een patroon van gerekte ruiten in het midden van het bovenvlak van het deksel, omgeven door driehoeken, en van zandlooperachtige figuren op de zijwanden van doos en deksel. — Tot berging van kleinigheden. Sangir.

L. 48,5, br. 24,5, h. 18 cM.

66/37. Mandje'), rond, met opschuivend deksel, het materiaal en de vlecht wij ze als voren, doch de bodem van hout. Het patroon bestaat uit een ster in het midden van het bovenvlak van het deksel, omgeven door twee rijen driehoeken, roodbruin op ongekleurden grond en uit groepen van twee of drie ongekleurde ruiten op roodbruinen grond aan de zijden. — Tot het opbergen van kleinigheden. Siauw.

Dm. 23,2, h. 14,5 cM.

1926/592 & 8206). Doozen (aroewanga), als voren, doch het bovenvlak van het deksel, evenals de bodem, van hout. Het vlechtpatroon der wanden bestaat uit ongekleurde, groote ruiten (592) of groepen van drie kleine ruitjes (820) op roodbruinen grond. Sangir.

Dm. 20,5 en 22,5, h. 12,5 en 8,9 cM.

907/3 7). Als voren, doch bestaande uit twee op elkander sluitende doozen en een deksel, met houten bodems en dekselvlak, terwijl de wand volgens het eenvoudige omslingeringssysteem gevlochten, over hoepels van licht- en donkerbruine rietvezels bestaat, waardoor een onduidelijk kruis- of ruitornament gevormd wordt. Talaut.

Dm. 24, h. 15 cM.

612/18). Als voren, doch met oploopend deksel en houten, schotelvormigen bodem, die met groepen van drie rotanreepen aan den wand is bevestigd. Volgens het eenvoudige omwindingssysteem gevlochten van gebrande en ongebrande reepen, zoodat de gebrande rotanreepen op den wand concentrische ringen van driehoeken en op het deksel sterren vormen. Gekocht in de kampong Lirong op het eiland Salibaboe. Talaut.

Dm. 30, h. 20 cM.

1658/19). Als voren, doch rechthoekig, geheel met rood katoen overtrokken behalve den onderkant van den bodem, die met gebloemd katoen overtrokken is. Inschuivend deksel met overstekende randen; het deksel met lussen van rood katoen be-

1) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 142, n° 6524.

2) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 142, n° 6512.

3) van Dinter, o. c. 360: kangoebe. — Jellesma, Not. Bat. Gen. XXXI, p. CXXVI: hangobëh.

4) Jasper, Vlechtwerk, 165.

5) Vgl. Jasper, Vlechtwerk, p. 166, fig. 237.

6) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 142, n° 6519.

7) Serie 907 don. Mr. W. L. Borel, Oct. 1892.

8) Serie 621 don. F. M. W. J. Krayenhoff van de Leur, Juni 1887. — N. St. Crt. v. 18/19 Sept. 1887, n° 220.

9) Serie 1658 don. E. E. W. G. Schröder, Mei 1908.

Sluiten