Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP vin.

Verkrijging van grondstoffen en hunne bewerking. Inlandsche nijverheid1).

1350/2*). Plankje, van ijzerhout, rechthoekig, onderaan over het grootste deel der lengte uitgesneden. Hierbij een cylindervormige stamper van hetzelfde hout, in het midden het dunst en met een rondgaand bandje. — Voor de bewerking van boombast. Talaut.

L. plankje 32, br. 7, d. 3,5, 1. klopper 27, dm. 2,7—3,5 cM-

1350/3. Als voren, doch van donkerbruin hout, over de lengte gebogen; eene zijde vlak, de andere met opstaande randen aan de korte zijden en twee ruggen over de lengte, die eene groef begrenzen; bovendien op die zijde eene rij ingesneden driehoeken over de breedte. Hierbij een klopper van zwart hout, cylindervormig, met recht afgesneden einden, nabij het midden het dunst en met een rondgaand, rond rugje. — Volgens den verzamelaar is het plankje bestemd voor het kloppen van boombast; in vorm komt het echter geheel overeen met den ruggesteun van een weeftoestel. Talaut.

L. plankje 24, br. 12, d. 0,5—1,5, 1. klopper 28,5, dm. 2,7—3,7 cM. 1597/28), Vlechtwerk, onafgewerkt, van ongekleurde en roode rietreepen,kokervormig; patroon: roode sterren binnen ongekleurde rechthoeken. Sangir. L. 31, br. 4,5 cM.

I59TlI- Gedeelte van een weefgetouw, n.1. een kam met zeer stijf omvlochten randen en een stuk bamboe; daartusschen een begonnen weefsel van koffovezels, rood en ongekleurd: haakvormige figuren, volle en open ruiten. Sangir.

L. kam en stokje 30 cM.

82/3. Als voren, doch met behalve den kam en den bamboekoker een groot aantal in het weefsel gestoken stokjes. Tusschen den kam en den bamboekoker een gedeeltelijk reeds afgewerkte lijf band van roode en zwarte koffo-veztW% in een patroon van haken, ruiten en kruisen. Taboekang, Sangir.

L. kam 20, bamboekoker 33,5 cM.

82/4—5. Bamboekokers, het uiteinde van n° 5 puntig bijgesneden. Wellicht behoorende bij het weeftoestel n° 82/3. Taboekang. Sangir. L. 25,5 en 26, dm. 2 en 2,2 cM.

82/6—8. Kn o opnaai den, van hout, met garen van ongekleurde (7), roode (6) of blauwe (8) bladstengelvezels, waarschijnlijk insgelijks bij het weeftoestel n° 82/3 behoorend. Taboekang. Sangir.

L. 13, 13,5 en 13 cM.

848/17. Weefgetouw (kahihoewang*-), met opgezet weefsel van ongebleekte vezels, bestaande uit:

a. Borstboom (kawoeli*), rechthoekig, van hout, aan welks diepgevorkte uiteinden een, van kokosvezels vischgraatvormig gevlochten touw (Ainggoesang6) is bevestigd, waartegen de rug der weefster leunt.

1) Ind. Mag. 1= twaalftal, n° 7—9, p. 24 en 28. — van Dinter, L c. 356—358. — Med. Ene. Bur. II (1912), 46—47- — T. Binnenl. Best. XXII (1902), p. 478—479. — Jellesma, Not. Bat. Gen. XXXI, p. CXXHI—CXXVII.

2) Serie 1350 aankoop April 1902.

3) Serie 1597 aankoop April 1907.

4) A. B. Meyer und A. Schadbnberg, Die Philipfinen, I, Nord-Luton, p. 17—18. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 127—128. — E. J. Jellesma in Not. Bat Gen. XXXI, p. CXXV.— van Dinter in T. I. T. L. Vk. XLI, 356—358. — Ind. Magazijn, 1844, i= twaalftal 7—8, p. 19.

5) Jellesma, 1. c. — van Dinter, 357. — Jasper, Weefkunst, 333.

6) Jellesma. 1. c. — Jasper, o. c. 334.

Sluiten