Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

garen zijn hierop verschillende figuren geborduurd en wel breede zigzagvormige roode banden, waarin maeanderlijsten zijn uitgespaard en die ruiten omsluiten, waarin als kern een groote of kleine ruit van blauw garen, uit kleine ruiten met een ongekleurd kruis als kern of uit haken en krullen samengesteld. Sangir. L. 196, br. 63 cM.

1334/2. Weefsel, als voren, doch het ornament bestaat uit groote, d jour bewerkte ruiten van rood garen, geheel uit krullen samengesteld en daarbinnen ruiten en aaneengeschakelde krullen van blauw garen. Sangir.

L. 151, br. 61 cM.

360/7320. Stuk zwart weefsel van &^i>(?)-vezels. Sangir. L. 310, br. 77 cM.

360/7003. Stuk gestreepte stof, zwart en bruin met smalle, ongekleurde en groene strepen. Defect. Sangir. L. 215, br. 46 cM.

GROEP IX.

Wapens en krijgskleeding '). L Aanvalswapens.

653/3*). Klewang, het lemmet van bruin hout, het breedst op eenigen afstand van de punt, van waar de rug schuin in de punt overgaat. Greep van zwart hout, plat, in den vorm van een zeer gestileerden vogelkop (Buceros), met zeer vooruitstekende stootplaat, wier beide uiteinden schuin afgesneden zijn. Beide zijden van het boveneinde met ingesneden ornamenten in den vorm van ovalen, s-vormige figuren, zigzagstrepen, enz. Aan de snedezijde zijn een aantal reepjes rood katoen in gaatjes door middel van pennetjes bij wijze van franje bevestigd. Talaut.

L. 89, L lemmet 69, br. 5, br. greep 7,5, br. stootplaat 15,5 cM.

561/88). Als voren, doch het lemmet van ijzer, met een lang, haakvormig uitsteeksel4) in -het midden van het schuin afioopende ondereinde, op welks rug zich twee kroonvormige verhevenheden bevinden; greep van bruin hout, de stootplaat met een ingesneden ruit en kromme lijnen versierd. Het boveneinde in den vorm van een gapenden muil6) met gestileerde tanden; langs de snedezijde eene dubbele rij gaatjes, waarin bosjes bruin bokkenhaar zijn bevestigd. — Verkregen van den radja van Lirong, hoofdplaats van het eiland Salibaboe (Talaut) en tot de regalia van dat landschap behoörende.

L. 88, L. lemmet 64, br. 4,8, br. greep 7—13 cM.

905/13. Als voren (kempilang), het lemmet met breeden rug, die zich met twee opvolgende, schuine afsnijdingen met de snede tot de punt vereenigt6). De snede

1) Meyer und richter, Celebes, I, 128 met pl. I, fig. 10 en 11. — Foy, Schieerter von der Celebessee, p. 3 met pl. II, fig. 10 en 11 en pl. III, fig. 12 en 14. — van Dinter, 1. c. 363— 364. — Frieswijk, T. B. B. XXII, 481—482.

2) Serie'653 don. F. A. Ebbinge Wubben. — n. St. Crt. v. 6. Aug. 1889, n° 155.

3) Serie 561 don. b. P. J. C. Mol. — n. St. Crt. v. 20 April 1887, n° 92.

4) Vgl. Meyer und Richter, o. c. pl. I, fig. 10 en 11. — Foy, o. c. pl. II, fig. 10 en 11.

5) Meyer und Richter, o. c. pl. I. fig. 11. — Foy, o. c. pl. II, fig. 10 en 11.

6) Vgl. Meyer and Richter, Celebes, I, pi. I, fig. 7.

Sluiten