Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weven, vierkant, twee randen met smal omboordsel. — Volgens den inzender wordt deze doek bij het minari1) gebruikt. De dansers verschijnen telkens in een stel kleederen van eene andere kleur; hoe vaker van gewaad verwisseld wordt, hoe deftiger. Taboekang. L. en br. 60 cM.

1691/4. Baadje, van dezelfde stof geweven als de hoofddoek (1691/5), met lange mouwen, rond uitgesneden halsopening en kort split om de borst; om deze uitsnijding en aan de boorden der mouwen het weefsel dubbel. — Bij het menari gebruikt. Taboekang.

L. 139, br. tusschen de schouders 60, 1. mouwen 54 cM.

1691/3. Broek, van dezelfde stof geweven als de hoofddoek en het baadje (1691/4-5), met lange pijpen; in het kruis lange, driehoekige ingezette stukken; de bovenrand met een smal, omgeslagen zoompje. — Bij het mïnari gebruikt. Taboekang. L. 105, br. boveneinde 61 cM.

907/12). Antieke stoel8), van ebbenhout vervaardigd, op vier pooten, die in het midden in doorsnede rond en bij wijze van een spiraalvormig gedraaid touw uitgesneden zijn, terwijl het boveneinde en een gedeelte nabij het ondereinde rechthoekig en met snijwerk en reliëf in bloempatroon versierd zijn. Van onderen zijn de pooten aan elkander verbonden door eveneens bij wijze van een spiraalvormig gedraaid touw uitgesneden, in het rechthoekige gedeelte bevestigde dwarsliggers, van boven door in doorsnede vierkante dwarsliggers, van gaten voor de bevestiging van het rieten zitvlak voorzien, terwijl de buitenzijden der beide zijdelingsche en van den naar voren gekeerden dwarsligger met snijwerk in bloempatroon zijn versierd. De leuning bestaat uit eene breedere en eene smalle plank, op eenigen afstand van elkander bevestigd tusschen de verlengde in een cirkelvormigen knop uitloopende boveneinden der beide achterpooten en met elkander verbonden door zuiltjes in den vorm van een gedraaid touw. De beide kanten der breede en de onderkant der smalle plank zijn herhaaldelijk volgens een regelmatig patroon uitgeschulpt; het voorvlak der beide planken alsmede de voor- en zijvlakken van het verlengde boveneinde der achterpooten zijn met bloem- en bladkrulvormig snijwerk versierd. — Omstreeks het jaar 1650 door den vorst van Solor aan den radja van Taboekang geschonken. Sangir. H. van voren 36, idem van achteren 77, br. zitvlak 53 X 45 cM.

GROEP XII.

Godsdienst4). Genees- en heelkunde. Opvoeding en onderwijs.

24/28). Boekje, van 8 blz. kl. 8°, 23 en 24 (dubbel), 195, 196, 213—214; de vier eerste bladzijden bevatten een dubbel exemplaar uit twee afzonderlijke uitgaven van een Maleisch spel- en leesboekje en de vier laatste bladzijden een gedeelte

1) Over dansen op Siaoe vgl. VAN Dinter, 1. c. 364—365.

2) Serie 907 don. Mr. W. L. Borel, Oct 1892. — N. St. Crt. van 8 April 1893, n° 82.

3) W. J. Oosterhoff, Oud-Oostindische meubels (Extra Bulletin der mus. v. d. N. M. t. b. v. n.), p. 9.

4) De 5a»^<>-eilanden in 1825 {Ind. Mag. re twaalftal n° 7—9), p. 2—3. — van Dinter, 1. c. 368—382. — Stokkino, Over den godsdienst der Talaureezen (Ned. Zendingsbode, 1912, 221). — Med. Ene. Bureau, II (1912), 56—60. — Frieswijk, T. B. B. XXII, 483—484 en 486—489. — Stokkino, Gebruiken bij zwangerschap en geboorte op Talaoet (M. N. Z. G. LXIII, 219—229).

5) Serie 24 don. J. Kneppelhout, Juni 1862.

Sluiten