Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, met eenige veranderingen, opgenomen in de London Qazette van 9 Juni.

Bl. 141. — Zending van Buckingham en Arlington. — Omtrent de verhouding van den Prins tot Engeland in 1672 was tot dusver het laatste woord gezegd door Fruin in Verspr. Geschr. IV, 338 vv. Fruin kende evenwel, behalve de bijlagen van Costerus' Historisch Verhaal (sedert herdrukt door Schotel in B. V.G. nieuwe reeks IV, 1) weinig anders dan den brief van Buckingham en Arlington aan den Prins van 17 Juli, gedrukt in Secr. Resol. Holland op 20 Juli 1672. Zijne voorstelling van het gebeurde beperkt zich dientengevolge tot deze hoofdzaken: de Prins, kennis verkrijgende van het tractaat van Heeswijk, acht de door Frankrijk en Engeland gestelde voorwaarden onaannemelijk en doet, aan Engeland alleen en voor het geval dit zich van Frankrijk afscheidt, een tegenvoorstel, o. a. inhoudende het pandschap van Sluis voor Engeland en de souvereiniteit der zeven provinciën voorhemzelven. Deze voorwaarden worden door Sylvius naar Engeland overgebracht, maar door Karei II, die zijn bondgenootschap met Lodewijk XIV niet verbreken wil, afgewezen. Na den moord op de de Witt'en dringt Karei II nogmaals op een vrede, gelijktijdig met hem en Frankrijk te sluiten, aan, maar een koel schrijven van den Prins, van 7 October 1672, breekt de onderhandeling af.

Aan Fruin is, wijl hem daaromtrent geen berichten ten dienste stonden, onbekend gebleven: 1°. al wat er vóór 17 Julitusschen den Prins en de Engelsche gezanten te doen is geweest; 2°. wat er in de zaak is voorgevallen tusschen het oogenblik waarop de Prins van het tractaat van Heeswijk kennis verkreeg en het vertrek van Sylvius naar Engeland.

Uit het materiaal, dat thans bijeen is gebracht, vullen wjj Fruin's voorstelling als volgt aan: 1).

1) Het volgende (ter herinnering) vooraf:

Den 14den Juni besluiten de Staten, Frankrijk en Engeland om vrede te verzoeken. Naar Karei II vertrekken Halewijn en Dijkvelt; naar Lodewijk XIV, van Gent, Odijk en de Groot. Deze laatsten ontvangen tot bescheid, dat de Koning niet handelen kan dan met gevolmachtigden en van de Staten begeert te weten, wat zij hem hebben aan te bieden. De Groot keert daarop naar den Haag terug, waar Holland 26 Juni tot het verleenen van volmacht besluit, doch deze resolutie niet doordrijven kan ter Staten-Generaal. Op aandrang der pensionarissen van Leiden en Gouda, de meest bedreigde steden, vertrekt de Groot desniettemin in den ochtend van 27 Juni, op belofte, dat hem de volmacht nagezonden zal worden. Hij is 29 Juni te Rhenen en biedt de Generaliteitslanden aan; Louvois overhandigt hem de eischen des konings,

Sluiten