Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jet-Lie, ik ben een ellendeling, niet waard je voeten te kussen!"

Een seconde kneep zij de oogen dicht als in pijn; toen, zacht, smeekte zij : „Blijf zóó niet, ik kan 't niet hebben. Kom naast mij."

Gewillig rees bij op, liet zich neer op de canapé, een kleinen afstand tusschen hen latend; zat er met gebogen hoofd.

Henriëtte Amélie zuchtte verlicht. „Goddank!" fluisterde zij; „nu zal de leugen tusschen ons verdwijnen."

Hij hief het hoofd op en de woorden, eenmaal losgelaten, vloeiden als een vlotte stroom van zijn lippen.

„Ja, ik heb gelogen. Jou belogen, jou, de eenige vrouw, die er voor mij bestaan heeft zoo lang ik je ken. Het was het wüde beest, dat in mij opstond, dat wat ik dacht getemd te hebben. Maar nog eens was het sterker dan ik, sterker zelfs dan jij, mijn engel, mijn heilige." Hij sloeg de handen voor de oogen. Maar dadelijk weer het hij ze vallen en als m vreugde over hun bevrijding volgden de radde woorden.

Sluiten