Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE HOOFDSTUK.

Het Stamland der Bewoners van Java.

In overoude tijden schijnen de voorouders van de bevolking van Java, één volk uitmakend met die der bewoners van alle eilanden, welke zich tusschen Formosa en Nieuw-Zeeland, Paasch-eiland en Madagascar1) bevinden, in Achter-Indië, daar waar nu Cochin-China, Cambodja en Annam liggen, gewoond te hebben. Zij waren toen al in stammen afgescheiden en leefden met verscheiden gezinnen tezamen in één groot huis2). Dit deden zij waarschijnlijk met het oog op vijandelijke aanvallen: bij gevaar kon men elkaar dan terstond bijstaan. Die woningen waren gemaakt van hout en bamboe; ook rottan kwam er aan te pas. IJzeren gereedschap had hun bij den bouw gediend. Zij leefden van rijst, aten ook klappers, pisangs en komkommers, hielden er het suikerriet als lekkernij op na en dronken brem, dat ze uit ketan (kleefrijst) bereidden. Tot hun voedsel behoorden ook zeekreeften, garnalen en schildpadden, die zij op het strand vingen of machtig werden op zee, want zij voeren daar op uit in roei- en zeilbooten. Zij hielden karbouwen en varkens, misschien ook runderen deels voor den landbouw, deels voor voedsel of om er melk van te krijgen. Gingen ze op jacht of op vischvangst dan bemachtigden zij hun buit door middel van een blaasroer of soempitan waarmee zij pijlen, gewoonlijk vergiftigde, naar hun slachtoffers bliezen. Metalen wapenen bezaten zij ook. Indien zij kleeren droegen dan waren deze van boombast gemaakt.

Tegenover de natuurverschijnselen als den regen, den bliksem en den donder, den wind en aardbevingen, tegenover den groei van menschen, dieren en planten, ziekten, den slaap en den dood stonden zij als alle menschen op de heele wereld, in den aanvang hunner ontwikkeling; zij vermoedden in of achter al die onverklaarbare dingen, waar zij machteloos tegenover stonden, bovenmenschelijke krachten, die men voor zich kon winnen door offers, of door zekere bezwerende handelingen in zijn dienst kon stellen. En behalve in levende wezens meenden zij ook, dat er in elk voorwerp een levende kracht, een ziel (animus)- aanwezig was; zonder deze kon men zich een bestaan — waarvan _ook — niet voorstellen. Van grooten invloed dacht men ten slotte ook de zielen der gestorven voorouders, die belang bleven stellen in het lot hunner

1) . Op enkele uitzonderingen na, o.a. de Papoea's op Nieuw Guinea, de Negrito's op de Philippijnen.

2) . Deze wijze van wonen komt op Java nog voor bij de Tenggereezen.

Sluiten