Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo meende men, en luidde deze gunstig, dan ging men onder leiding van den sjamaan, die ook na zijn dood als stichter van de dessa in bizondere eere bleef, tot de géreedmaking der nieuwe vestiging over. Dan bouwde men de gezinshuizen van hetzelfde lichte materiaal als vroeger; waren ze klaar dan richtte men maaltijden aan voor de geesten om ze gunstig voor het verblijf te stemmen. De grond werd schoon gemaakt van boomen en struiken, waarbij men goed oppaste de koele, schaduwgevende waringins niet te rooien, daar die de geliefde verblijfplaats zouden zijn der voorouderlijke geesten, die machtige helpers der nieuwe vestiging. Van hun aanwezigheid alleen al ging, meende men, een zegenende invloed over de desa uit. Men trachtte hen daarom zooveel mogelijk in de nabijheid te houden en om dat te bewerken, maakte men houten of steenen beeldjes, als afbeeldingen van die voorouders. Immers, men meende in die oude tijden dat daarin, evenals vroeger in hunne lichamen, de zielen verblijf zouden komen houden. Daaraan gaf men geschenken, daaraan zong men lof toe en richtte men zijn beden om hulp en offerde men, als die steun, naar men meende, verstrekt was. Een allerwerkzaamst middel nu om de geesten in de nabijheid te houden verzonnen uitsluitend de Javanen, met hun zoogenaamd wajangspel *),

Hoe zou men, dachten zij, de gunst en de nabijheid der voorouders beter kunnen winnen dan door de herinnering aan hen levendig te houden en hunne groote daden nog eens aan het nageslacht voor oogen te stellen?

Daarvoor moest men de afbeeldingen van de geesten maken en daar men zich die als schimmen voorstelde vervaardigde men menschel ij ke figuren met lange spichtige ledematen en spitse lijnen, zooals schaduwen van menschen hebben kunnen. Als nu de duisternis gevallen was, de tijd waarop de geesten rondwaren, spande men een wit doek op een bamboeraam, stak de daarachter hangende lamp aan en liet dan de schaduwen der figuren op het scherm vallen. De toeschouwers waren er van overtuigd, dat die schaduwen de geesten zelve waren, daar voor de toenmalige menschen het ding zelf en de afbeelding daarvan één en hetzelfde waren. De man, die er mee mocht omgaan, was natuurlijk de sjamaan, als vertooner „dalang" geheeten, die immers met de voorouders in nadere betrekking stond dan de gewone menschen. Eer hij het heilig werk aanving, moest hij plechtige ceremoniën verrichten, om dé geesten uit te noodigen te willen nederdalen in hun afbeeldingên en om hemzelf de goede woorden voor zijn verhaal in te geven: hij brandde wierook, zonderde zich af in gebed en gebruikte welriekende zalf — handelingen die nog tegenwoordig bij plechtige wajangspelen in zwang zijn. Dan pas begon de dalang, begeleid door de muziek der gamelan, de heldendaden al zingend en uitleggend, te vertoonen.

'). Zie hiervoor Dr. G. A. J. Hazeu: Bijdrage tot de kennis van het Javaansche tooneel.

Sluiten