Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleggen der waterleidingen (van eenvoudige constructie zooals van zelf spreekt) met sluisjes, overlaten en valletjes, het ploegen met de karbouwen en planten en oogsten van de rijst, dat alles ging — en gaat eigenlijk nog — op een den geesten welgevallige wijze.

Zelve hadden de Javanen al opgemerkt, dat de goede tijd om met het beplanten der velden te beginnen, aanbrak wanneer bij zonsondergang het Zevengesternte aan den Oostelijken hemel verscheen, nl. ongeveer half December Dit sterrenbeeld was de voorbode van den „ploeg" >) die tegen midden Januari bij zonsondergang aan de Oosterkim opkomt. Zoolang die aan het uitspansel zichtbaar bleef, had men voor het gewas zorg te dragen. Dit was rijp voor den oogst, wanneer de stand van de ploeg op zijn tocht langs den hemel omgekeerd was geworden en verdween hij half Mei aan de Westerkim geheel, dan was ook de rusttijd voor den landman aangebroken, de „doode tijd", waarin er op het veld geen werk te verrichten viel. Aan het eind van die „gro'ote vacantie" van twee maanden ging men dan tegen half Juli bij zonsopgang weer naar de komst van den „ploeg" zitten uitkijken en werd hij dan zichtbaar in het Oosten, dan moest men met den verbouw dér tweede gewassen beginnen Eind October schreef dan de Ploeg, neigend naar de Westerkim, den landman weer het oogsten voor, en als dit half November afgeloopen was moesten de velden opnieuw gereed gemaakt worden voor den rijstbouw, die tegen half December aanvangen ging.

Zoo stonden dus voor den Javaan de landbouwvoorschriften helder en eenvoudig aan het uitspansel geschreven en zoo komt het ook, dat oudtijds het jaar bij hen uit twee tijdperken bestond: de tijd voor het werk, van ongeveer tien maanden, en de tijd van rust van ± twee maanden, eigenlijk slechts ais een aanhangsel van den eersten beschouwd.

De werktijd was onderverdeeld in verschillende perioden: men had erfvijf dagen 2), waarvan twee tezamen de zoogenaamde „woekoe" d.i. afdeeling van tien dagen vormden, waarvan er dus dertig in den werktijd — van drie honderd dagen — gingen.

Een andere onderverdeeling van zes dagen leverde met die van vijf dagen gecombineerd: dertig dagen, een periode, waarvan er dus tien in den werktijd gingen en die geheel samenging met den duur der schijngestalten van de maan, waardoor men tot tien maanden (woelan) kwam.

Het dorpsleven ging, onder bescherming der geesten zijn kalmen gang: men bebouwde het land, fokte vee, teelde visch 3) ging ter jacht en vervaardigde stoffen voor de weinige kleedij die men noodig had. Van tijd tot tijd

J). Dat is: de gordel van Orion, met een drietal daar vlak bij staande sterren Betelgeuze, Rigel en Bellatrix.

2) . Beter gezegd: nachten, want men rekende, evenals vele primitieve volken bij nachten. .

3) . Dit gebeurde in zoetwater- en zoutwatervijvers. Zie Ene. N. I. IV pag. 552.

Sluiten