Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover zichzelf als tegenover zijn medemenschen: dat hij de waarheid steeds moet spreken, dat hij zijn woord gestand moet doen en dat hij mededoogen met anderen moet hebben.

Eigenaardig-Hindoesch is ook deze overtuiging, dat de ziel van den mensch na dit aardsche leven nog vele malen herboren moet worden tot een nieuw bestaan eer zij de eeuwige rust kan ingaan. Tusschen de verschillende „levens" in, krijgt zij bovendien nog belooning of straf voor hetgeen zij op aarde heeft verricht. In een volgend leven verkeert men in betere omstandigheden naarmate men zich op goede daden heeft toegelegd; de zonde wordt met ongeluk en een verachte positie ^gestraft.

Anderen voor hun leer te winnen probeeren de Hindoes, daar men door geboorte aanhanger van de leer is, over het algemeen niet. Zoo werden op West-Java ook geen pogingen gedaan om de Soendaneezen van hun voorouder- en geestenvereering af te brengen. Door deze wijze van optreden der vreemdelingen bestond de anders zoo gewichtige factor voor vijandschap tusschen twee verschillende volken niet en konden zij vreedzaam samen voortleven.

Niet te verwonderen is het, dat de Hindoes door hun meerdere ontwikkeling een natuurlijk overwicht kregen over de Soendaneezen, die zich blijkbaar zonder eenigen tegenstand in de overheersching dier vreemdelingen schikten. Heel veel aandacht schonken overigens deze aan hun onderdanen niet; de laatsten vormden een lagere klasse, die bij de beschaafderen niet in tel was. In overeenstemming was dit met de in Voor-Indië heerschende denkbeelden en instellingen, die aan den Hindoes'chen godsdienst onafscheidenlijk verbonden zijn. De bevolking was daar nl. in vier klassen of kasten verdeeld, die streng van elkaar gescheiden waren en niet onderling trouwen mochten. De eerste stand was die der priesters, de Brahmanen, de tweede der adelijke krijgslieden en regeerenden, de ksjattrija's geheeten, de derde die der landbouwers, handelaars en handwerkers, de Waisja's. Slechts deze drie mochten de Heilige Hindoe-boeken lezen en het kwam er ten slotte op neer, dat alleen de eerste stand die werken bestudeerde. De vierde, talrijkste stand, de Sjoedra's was er het slechtst aan toe; er werd door de drie hoogere kasten met minachting op die arbeiders en slaven neergezien.

Het schijnt dat naar Java vertegenwoordigers van de eerste drie standen gekomen zijn. De Soendaneezen werden tot de laagste kaste gerekend. Nauwe aanraking, laat staan samensmelting bestond er dus tusschen heerschers en overheerschten niet. Toch waren de laatsten wel in de gelegenheid een en ander van de Hindoes te leeren, zoo in de eerste plaats: het batikken, dat door de bewoners van Kalinga reeds lang werd beoefend. Hoe bizonder geliefd die bewerking van stoffen den Soendaneezen en later ook allen bewoners van Java werd, is overbodig nader te betoogen, daar ze nog tot op heden heel Java onder haar bekoring heeft. Ongetwijfeld was de bewerking oorspronkelijk hier minder fraai en uitvoerig dan tegenwoordig en kleurde men de witte, VoorIndische stoffen slechts éénmaal, met blauw. Voor het verkrijgen van die kleur werd de indigoplant (taroem) gebruikt, die in de Soendalanden in zoo groote

Sluiten