Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opperheerschappij verwierf1)? Wij weten het'niet; al is het best mogelijk. Wèl valt echter dit met zekerheid te zeggen, dat het vorstengeslacht, waartoe Sannaha en zijn zoon Sandjaja behoorden, nog rTretTop Java verblijf had gehouden, toen Sandjaja in 732 de op steen gegrifte oorkonde uitgaf, die hemzelf en zijn vader bij name noemt. Uit de Sanskrit-taal en uit den inhoud blijkt, dat de herinnering aan zijn Voor-Indisch stamland bij den vorst nog levendig is en dat hij met zijn Javaansche omgeving nog niet is samengegroeid.

Het waarschijnlijkst is daarom de veronderstelling, dat de genoemde vorsten nieuwe immigranten uit Voor-Indië (en wederom uit het Zuiden daarvan) waren, die met hun volgelingen het rijk, dat ze op Midden-Java aantroffen, onderwierpen, hun heerschappij in Kedoe vestigden en hun rijk later tot in Oost-Java uitbreidden. Het behield bij de Chineezen waarschijnlijk den ouden naam van „Kaling", dien zij nog eeuwenlang, toen er stellig geen rijk van dien naam op Java bestond, zouden gebruiken, maar de Javanen van de 8e eeuw kunnen het wel anders genoemd hebben.

Sannaha nu, wijd en zijd beroemd om zijn mildheid — aldus de inscriptie — regeerde op vreedzame wijze: „Gelijk een vader zijn kind van jongsaf liefderijk leidt". En Sandjaja, zijn zoon, uitmuntend in allerlei deugden, ging op het voetspoor zijns vaders voort. Hij breidde zijn gebied uit en liet rust en veiligheid in zijn vruchtbaar land wonen. „Zonder beducht te zijn voor roovers of voor andere gevaren, kon het volk zich op den grooten weg te slapen leggen". Ieder leefde veilig in het genot van wat hij had2).

Dat Koning Sandjaja3) en de zijnen vereerders van Sjiwa waren, blijkt uit hun stichting van een tempel aan dezen god gewijd. Maar ook vereerden zij, als zoovele Sjiwaieten in Zuidelijk Voor-Indië, nog tegelijkertijd hun mythischen stamvader, Agastja; en deze voorouderdienst ontwikkelde zich bij de Hindoes op Java zelfs veel sterker dan ze ooit in het stamland geweest was.

Dit komt waarschijnlijk, doordat de nieuwe inkomelingen zich, bang voor vreemde bloedmenging, eerst nauwer rondom hun gemeenschappelijk vereerden stamvader aaneensloten. Dat ze zich handhaafde — stellig tot in de 14e eeuw toe — vindt zijn oorzaak wellicht hierin, dat de Hindoes langzamerhand toch

i). Van Sannaha wordt gezegd, dat hij zijn vijanden — zonder verdere aanwijzing _ onderwierp. En zie de Chineesche berichten over Gezantschappen op blz. 20.

tv De heer Rouffaer wijst m Bijdragen van het Koninklijk Instituut, deel 74 blz. 143 e.v. (Oudheidkundige opmerkingen blz. 138—166) op de overeenkomst van den inhoud van het Chineesch bericht omtrent de toestanden onder Koningin Sima met dien van Sandjaja's inscriptie. Daar in de laatste, naar het schijnt, gezegd wordt „dat Sanjaya naar recht het rijk regeert, in onverbrekelijke overeenstemming met zijn zuster" onderstelt de schrijver, dat de laatstgenoemde: „Sima" is geweest, die dan mederegentes van haar broeder was. (Zie aldaar, noot 2 blz. 147).

»). De naam des Konings is nog over in dien der kali Sendjaja, een rivier ten Z.O. van Salatiga. Bij de bronnen ervan bevond zich een vorstelijke badplaats. (Zie Rouffaer in bovengenoemde Bijdragen 74 bjz. 159 en 160).

Sluiten