Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blijkt het uit hun optreden naar buiten, dat de vorsten van Mataram machtige Koningen zijn geweest, de overblijfselen van de schoone bouwwerken, die zij in Midden-Java deden verrijzen, zijn de meest welsprekende getuigenissen van hun grootheid.

Hoewel het hier thans de plaats ware een aesthetisch-critische beschouwing te geven over deze Midden-Javaansche kunst, komt het ons niettemin beter voor, over de monumenten, die zij nagelaten heeft, zeer beknopt te zijn. Voor een uitgebreide beschouwing is de pen van een vakman noodig en zelfs voor een overzicht, dat de feiten historisch en wetenschappelijk juist vermeldt, is meer noodig dan aan schrijfster dezes ten dienste staat in de vakliteratuur (grootendeels rapporten en verslagen) van de Javaansche archaeologie, deze nog zoo jonge wetenschap, die slechts door enkelen beoefend wordt. Beter is het hier te verwijzen naar een eerlang door Dr. N. J. Krom te publiceeren werk over Hindoe-Javaansche kunst, dat, samenvattend wat er op het terrein der archaeologie reeds verricht is, ook de ontwikkelde en belangstellende Ieeken in staat zal stellen, deze kunst meer in bizonderheden te leéren kennen. Daar zij voor een groot deel ten nauwste samenhangt met het Boeddhisme, lijkt het wenschelijk, hier eerst iets over dezen godsdienst te zeggen.

De Hindoe-kolonisten op Java hadden met hun cultuur ook de kennis van het Boeddhisme aan de bewoners van dat eiland gebracht. De bloeitijd van het Boeddhisme was toen in het land zijner geboorte reeds lang voorbij. Maar het had reeds zijn weg gevonden naar Nepal, naar Tibet, naar China, vandaar naar Korea, van Korea in de zesde eeuw naar Japan (in deze landen heerscht de zoogenaamde Noordelijke Kerk), voorts naar Ceylon en Achter-Indië (zgn. Zuidelijke Kerk). Dezen nieuwen, in de oogen der Brahmanen kettefschen godsdienst, die aanvankelijk meer een ascetische wijsbegeerte dan een godsdienst was, heeft men Boeddhisme genoemd naar zijn stichter, den Boeddha Gautama. De eigenlijke naam van dezen spruit uit het adellijke geslacht der Sjakja's, dat te Kapijawastoe zetelde (dicht bij de Zuid-grens van Nepal) was Siddhartha. Begeerig naar het hoogste heil, verliet hij op 29-jarigen leeftijd zijn tehuis, liet vrouw en kind achter en ging als zwervend asceet den weg zoeken, waarlangs de hoogste waarheid hem geopenbaard zou kunnen worden. Bij zijn tijdgenbo*ten heette hij de asceet Gautama; zijn familie beroemde zich namelijk op een mythischen stamvader, den risji Gotama, maar voor zijn volgelingen werd hij Sjakja-moeni, d.i. de Wijze uit het geslacht SjSkja1). Het meest algemeen echter is hij bekend als de Boeddha, d.w.z. de Verlichte, de Ontwaakte, Hij, «tiende volmaakte kennis deelachtig geworden is. Dezen eeretitel verwierf hij, toen hij na zes jaren van rusteloos streven, eindelijk het doel zijner wijsgeerige overpeinzingen bereikt had, doordat hij tot het inzicht gekomen was van de „Vier Voór-

!). Spreek uit: Sjaakja.

Sluiten