Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan. Want zelfs de goden zijn nog onderworpen aan de wet der wedergeboorte. De Boeddha ontkende dan ook volstrekt niet het bestaan van goden; maar deze waren voor hem 'niet meer dan een der vele klassen van niet-menschelijke wezens. Zijn grootsten bloei bereikte het Boeddhisme in de helft der derde eeuw v.Chr. onder koning Asoka, die het tot godsdienst van den staat verhief. Toen begon ook een periode van grooten bloei voor de kunst en ontelbare Boeddhistische monumenten moeten den Indischen bodem bedekt hebben. Grootendeels zijn deze thans verdwenen, veelal verwoest door latere geslachten, die vijandig tegenover den Boeddhistischen godsdienst stonden. De tegenwerking der Brahmanen bleek te sterk, het Boeddhisme geraakte in verval, ten slotte kwam de Islam het proces voltooien en wordt Boeddha's leer in het land, dat zijn bakermat geweest is, niet meer beleden. Ofschoon nu deze leer de bevolking van Voor-Indië niet duurzaam voor zich heeft kunnen winnen, zij vond haar weg naar vele andere landen, waar zij haar aanhangers nog bij miliioenen telt. Het Boeddhisme had zijn apostelen, die overal heen trokken, om de Goede Leer te gaan prediken; zoo kwam zij ook op Java en met haar de Hindoe-Boeddhistische kunst, waaraan wij monumenten danken als Boroboedoer, Tjandi Mendoet, Tjandi Sewoe.

Het is niet zeker of het Boeddhisme op Java eenmaal de algemeen heerschende godsdienst geweest is; wel mag men aannemen, dat het op het gemoedsleven van het volk slechts een oppervlakkigen indruk gemaak heeft, dien later de Islam weder geheel uitgewischt heeft, terwijl er bij de Javanen nog allerlei gevonden wordt, dat zij behouden hebben uit meer primitieve beschavingstoestanden, dat de Islam niet uitgewischt heeft. Vermoedelijk is het Boeddhisme slechts de godsdienst van de vorsten en de voornamen geweest; dat daaronder toegewijde en vurige aanhangers zijn geweest, wordt nog getuigd door de indrukwekkende overblijfselen van de grootsche monumenten, die zij oprichtten. In ieder geval bestonden Sjiwaisme en Boeddhisme rustig naast elkaar. Of dit geheel gescheiden eerediensten naast elkaar waren, dan wel een sterk Sjiwaietisch getint Boeddhisme naast een meer zuiver Boeddhisme, moet vooralsnog in het midden blijven. Of het zuivere Sjiwaisme, dat blijkens de Diëng-tempels op Java bestaan heeft, het Boeddhisme beinvloed heeft en is blijven bestaan, dan wel zelf Boeddhistisch getint werd, of wellicht een Sjiwaietisch Boeddhisme uit Indië gekomen is en dus niet op Java is ontstaan, moet evenzeer nog onbeantwoord blijven. Eerst in den nieuwsten tijd is men aan dit probleem ernstig de aandacht gaan wijden en blijkt het meer en meer dat de tot voor kort heerschende meening der geleerden omtrent een syncretisme, dat zich op Java voltrokken zou hebben, niet onaanvechtbaar is.

Java heeft het Boeddhisme ontvangen onder zijn zgn. Mahajanistischen vorm. Er is namelijk op het eind der eerste eeuw na Chr. een scheuring in de Boeddhistische kerk ontstaan, welke reeds lang gedreigd had, feiterijk reeds bestond, maar op een concilie, gehouden tijdens de regeering van Koning Kanisjka (in N.W. Indië; aanv. zijner reg. ± 78 na Chr.) definitief voltrokken werd. Sinds dat concilie worden de Boeddhisten verdeeld in de aanhangers

Sluiten