Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schepping, maar zenden van zich uit een geestelijken zoon, een DhySni of Mijmer-Bodhisattwa; deze treden op als stedehouder van hun vader. Hun namen zijn in volgorde Samantabhadra, Wadrjapani, Ratnapani, PadmapSni en Wisjwapani. De vierde hunner is de werkdadige godheid van de tegenwoordige scheppingsperiode en heet als zoodanig ook Awalokitesjwara, de Heer, die vol mededoogen neerblikt. Soekhawati, in het Westen gelegen, is het paradijs der zaligen, waar zijn vader Amitabha troont. De Boeddha's, die in menschel ij ke gedaante op aarde gewandeld hebben, worden beschouwd als aardsche afstralingen van de Mijmer-Boeddha's, zoodat men de trits Amitabha-Awalokitesjwara-Gautama te beschouwen heeft als belast met het bestel dezer huidige wereldperiode. Iedere god van het Mahajana heeft zijn Sjakti; dit woord beteekent kracht, vermogen, energie. De Sjakti is oorspronkelijk niets anders dan de naar buiten tredende energie van een god, een aspect van den god in zijn werkdadige kracht. Kon de Boeddhistische phikisophie zonder blaam te verdienen in haar verhandelingen over deze verheven metaphysische onderwerpen in beeldspraak gewagen van den god en zijne gezellin, de eerste schrede op het hellende vlak werd gezet, toen men deze Sjakti's ging personifieéren, ging beschouwen als godinhen, die afgescheiden waren van den god, wier emanatie zij slechts waren. Steeds verder gaande kwam men tot de meest grofzinnelijke opvattingen en voorstellingen en men kan zeggen, dat de theorie der Sjakti's in hooge mate heeft bijgedragen tot de groeiende ontaarding van de Boeddhistische leer (hoofdzakelijk geldt dit voor Tibet), welke bij sommige sekten niets meer gemeen heeft met de oorspronkelijke leer van den Boeddha.

Wij kunnen hier nog aan toevoegen, dat het Boeddhisme der Noordelijken gereedelijk een plaats inruimde aan de vele Brahmaansche goden van hoogeren en Iageren rang en dat deze bij de Boeddhisten alle tot een soort van demonen geworden zijn, waarvan velen zich verdienstelijk maken door op te treden als dharmapara's, beschermers der leer. Ongetwijfeld heeft het Boeddhisme voor een groot deel zijn reusachtige uitbreiding te danken aan zijn inschikkelijkheid jegens het volksgeloof; de leer van den Boeddha was in haar verhevenheid geen leer voor de massa.

Thans kunnen wij overgaan tot een kort overzicht van de voornaamste monumenten der Hindoe-Javaansche kunst.

Het Hindoemonument dan, dat het oudste jaartal draagt, de reeds genoemde Tjandi Kalasan van 778, is al dadelijk een meesterstuk van bouwkunst1). Het is daarom waarschijnlijk, dat de Koninklijke stichter den bouwmeester en de kunstenaars er voor uit Indië liet komen2). Daar immers ver-

In 1918 moest de mooiste zijde der ruïne ondersteund worden door een beermuur, waardoor veel van het schoone tijdelijk onzichtbaar is.

1 2). Ook werden ongetwijfeld allerlei kunstvoortbrengselen in Voor-Indië besteld, die dan gereed naar Java verzonden werden. De overlevering spreekt van een Javaansch' vorst, Dewa Kasoema, op het eind der 9e eeuw, wiens oudste zoon voor zijn opvoeding naar Indië ging en die vandaar terugkwam met drie schepen, beladen met allerlei kunstvoortbrengselen en met kunstenaars en handwerkslieden.

Sluiten